‘Territorium’: proloog + hoofdstuk 1 (manuscript)

Proloog

De klimaatverandering die iedereen vreesde, maar tegelijkertijd abstract bleef, leek in de eerste juliweken eindelijk voelbaar. De hitte hield nu al drie weken aan en benam dag en nacht iedereen de adem. Meteorologen waren allang door hun superlatieven heen, alle records waren gebroken en een verwijzing naar de statistieken maakte geen enkele indruk meer.
Ondanks het pleidooi van watermaatschappijen om zuinig met water om te springen, klaterden in veel voortuinen nog steeds de watersproeiers, als sierlijke fonteinen, en vonden sommigen het nodig hun bestofte auto eens flink met de tuinslang af te spoelen. De hele dag door klonk het gegil van kinderen – die zo gelukkig waren al zomervakantie te hebben – die zich met het water amuseerden, ongehinderd door de extreme weersomstandigheden en ondertussen onbarmhartig verbrandend.
Niels zat binnen op de bank, voor uitbundige waterballetten te oud geworden, zijn ogen gehecht aan het scherm van zijn telefoon, zijn dijen verkleefd aan het leer. Vanwege de hitte moest hij ze af en toe verplaatsen, wat een gek scheurend geluid gaf en ook een beetje pijnlijk was.
Hij kon net de ligstoel zien waarin Loes op de patio zat te zonnen; niet te geloven dat zij die hitte verdroeg, waarschijnlijk dankzij de vele zomervakanties die zij aan Griekse en Turkse kusten had doorgebracht. De rook van haar sigaret – waarvan zij de ene na de andere opstak, zodat hij constant leek te branden – kringelde boven de hoofdsteun uit en verried haar aanwezigheid. Hij wist dat ze zich stevig ingesmeerd had en naar olie stonk, wat hem altijd met afschuw vervulde en de associatie met het glimmende spitvarken opriep, dat hij eens op een festival had zien roosteren.
Zijn gedachten dwaalden even af naar zijn moeder, die de zon verafschuwde en trots was op haar bleke teint, die ze, wanneer ze zich op zomerdagen buiten waagde, met een zwierige strooien hoed voor verkleuring behoedde. Meestal zat ze dan overigens in de serre met de deuren wijd open geschoven in een mondaine rieten stoel, een of andere glossy voor zich op schoot gehouden. Ze was vaak niet eens aan het lezen, maar zat met gesloten ogen maar wat weg te dromen, waarbij een mondhoek af en toe licht en vol behagen krulde. Het was een van de weinige momenten waarop hij zijn moeder tevreden had gezien.
Op de achtergrond hoorde hij het kwebbelen en plonzen van de twee kleine kinderen, die de hele middag met opblaasbare armbandjes in het zwembadje mochten dobberen. Ach, daar had niemand verder last van. Het deed hem denken aan hoe hij er ooit zelf in speelde. Hij herinnerde zich de geur van het verhitte plastic en hoe de waterdruppels op de opbollende zwembadrand blonken als kleine parels. Hij voelde weer het gemene harde ketsen van de plastic bal als een vriendje die met een indianenkreet op zijn lichaam liet knallen, waarna hij op dezelfde manier revanche nam. Die fase was hij allang ontgroeid. Nu had hij een app, waarop hij zojuist een foto van zichzelf met rollende spierballen en gestulpte lippen met vrienden had gedeeld en al inwendig grinnikte om hun reactie.

Met een luide grom had de auto zijn komst aangekondigd. Verrassend snel stond de jongen op; de telefoon kletterde op de tegels, maar in zijn opwinding bekommerde hij zich daar niet om. Snel schopte hij zijn voeten in zijn slippers en holde naar buiten. Meteen rook hij een penetrante benzinegeur die door de warmte nog intenser was, zoals een barbecuevuur de zomerlucht extra kon doen schroeien.
De auto schraapte nog een keer ter verwelkoming zijn keel en stond in de warmtegolven op zijn dikke banden te trillen; het leek alsof hij uit een andere dimensie afkomstig was.
Vol bewondering keek de jongen naar de zwarte, gestroomlijnde sportwagen die een compacte kracht uitstraalde, de carrosserie hard en glanzend als een kuras.
Lachend wurmde zijn vader zich uit de auto, wat een grappig gezicht was en ook een beetje onthutsend vanwege het contrast met de soepele vorm van de machine. Zijn baseball-cap werd bijna van zijn hoofd gestoten en bleef maar net op een oor hangen. Maar zodra hij zich had opgericht en zijn pet had rechtgezet, maakte hij weer een mannelijke indruk. Zijn zakvormige buik werd aardig gecamoufleerd door de glanzend zwarte polo, waarvan de kraag stoer was opgestoken. De zonnebril zwaaide hij losjes aan een van de poten heen en weer. Hij deed er kortom alles aan om er jong en sportief uit te zien.
Nou? glunderde hij en trok even met een komisch gebaar aan de klep van zijn pet.
Vet! bracht de jongen verrukt uit. Op zijn leeftijd kon hij nog niet inschatten hoe clichématig de hele voorstelling was. Zijn vader kon dat laatste volstrekt niet schelen, omdat hij een van die volwassenen was die vooral door zijn instinct werd voortgedreven en als zijn geluk beschouwde wat anderen clichés vonden. Van andermans meningen trok hij zich geen mallemoer aan.
Niels voelde zich dus apetrots op zijn vader. Net als toen deze vlak voor het WK voetbal een muur vullende flatscreen had geïnstalleerd compleet met een surround sound-systeem, waarbij je je al kijkend tussen de spelers waande.
Zijn vader opende ook het andere portier, zodat beide deuren omhoogstaken als de vleugels van een roofvogel in een dodelijke glijvlucht. Door de gele banen rond de wielen en deuren zag de auto er nog gestroomlijnder en gevaarlijker uit. Verrukt liep Niels rondjes om de auto heen, vol ontzag voor dit geavanceerde staaltje techniek, waarover hij zijn ogen maar niet kon geloven.
Loes was ook op het lawaai afgekomen en stond vanaf het tegelpad naast het huis geamuseerd toe te kijken, een elleboog in een vlezige zij geplant, de hand met de sigaret elegant omhooggestoken, een voor haar karakteristieke pose.
Leuk karretje hoor, riep ze half bewonderend, half spottend. Mag ik een ritje maken?
Eerst ik, riep de jongen meteen, die zijn kans schoon zag.
Oké, kom op! Zijn vader perste zich enthousiast weer naar binnen, er ditmaal zorg voor dragend dat zijn pet het dak niet raakte. Verrukt dook Niels op de passagiersstoel die zo laag was, dat hij even het gevoel had achterover te tuimelen. Het leer voelde zacht en toch stevig aan. Alles had de prikkelende, verwachtingsvolle geur van het nieuwe, een cocktail van ultiem jongensgeluk.
Je had wel even wat schoons aan kunnen trekken, zei zijn vader quasi vermanend. De jongen lachte wat, maar bleef intussen strak voor zich uitkijken, popelend om te vertrekken.
Hij kan van 0 tot 100 in 2,8 seconden, pochte zijn vader, het moment nog even uitstellend, terwijl hij genietend in het stuur kneep. Haalt wel 350 kilometer per uur.
Kom op nou, riep Niels ongeduldig.
Zijn vader haakte zijn zonnebril achter zijn oren en richtte zijn blik vooruit.
Daar gaat-ie dan, schreeuwde hij. Hij gaf eerst nog een paar keer flink gas, om de auto, nu ten afscheid, nog een keer flink te laten grommen. Niels zag in de spiegel hoe Loes op een veilige afstand naar hen zwaaide. Toen keek hij snel weer voor zich uit en zette zich schrap.
Op het lawaai was een voorbijganger even blijven stilstaan met de verblufte blik van een natuurliefhebber die zijn pad plotseling door een zeldzaam dier gekruist zag. De man grabbelde in zijn zak, waarschijnlijk op zoek naar zijn telefoon om een foto te maken, maar ze spoten hem al voorbij. Niels had nog even vrolijk gezwaaid toen ze de onthutste bewonderaar, die met een paar snelle stappen het vege lijf gered had, passeerden.
De auto reed als aan de weg gekleefd, ook als hij snel een bocht nam. Het leek alsof hij met zijn brede neus het asfalt opvrat.
Niels had het gevoel alsof hij vlak boven de grond zweefde. Hij geloofde dat hij zich nooit eerder zo gelukkig had gevoeld.

 

Hoofdstuk 1.

De derde bel klonk langer en indringender dan de eerste twee. Mark was nu definitief uit zijn concentratie gebracht. Geërgerd schoof hij zijn bureaustoel naar achteren en bleef vol tegenzin even besluiteloos wachten.
Meestal deed hij niet open. Als hij niemand verwachtte, kon het niet belangrijk zijn en ging hij liever verder met zijn werk. De bel ging zelden een tweede keer; het waaide vanzelf over. Vroeger was hij uit een soort beleefdheid gaan kijken wie het was, maar hij kreeg daar bijna altijd spijt van, omdat het een zoveelste collectant bleek, een verkoper van duistere contracten, of een afvaardiging van de onuitroeibare Jehova’s Getuigen die hun voorspelbare heilsboodschap aan hem kwamen opdringen; ook trof hij soms een voor een sportvereniging of door school opgedragen goed doel bedelend kind, dat hij dan niet zonder schuldgevoel afwimpelde. Maar hij had geen behoefte aan al die polonaise, die hem alleen maar uit zijn ritme haalden.
Omdat de bel nu tot drie keer toe was overgegaan, en de laatste keer dus ongewoon lang had aangehouden, liep hij deze keer voor alle zekerheid toch naar beneden. Misschien was er iets ernstigs gebeurd. De ergernis bleef echter overheersen, waardoor hij zijn voeten wat harder dan normaal op de traptreden plaatste, die daardoor opstandig bonsden. Drie keer bellen was toch wel erg brutaal. Het ware beter niet een of andere colporteur, want die zou hij stevig van repliek dienen! Enkele rake zinnen schoten al door zijn hoofd. Het onderwerp van het artikel dat hij aan het lezen was, was meteen ver in zijn gedachten weggeraakt.
Het doffe imitatieglas van de voordeur liet de contouren van twee gestalten zien: een grote, brede en een smalle, iets kleinere. Een man en een kind, dacht hij meteen, de laatste vast meegenomen om hem tot iets te vermurwen waar hij geen zin in had.
Later bedacht hij dat hun verschijnen wel iets weg had gehad van een theaternummer: een goochelaar en zijn assistent die uit een witte wolk oplossende rook tevoorschijn kwamen. De novembernevel die hen omhulde had hun présence beslist iets extra onverwachts en magisch gegeven, hoewel die hem op dat moment vooral kil op de huid sloeg, zodat hij zijn armen huiverend voor zijn borst vouwde.
Zijn broer begroette hem met een jovialiteit alsof hij hem vorige week nog had gezien tijdens een gezellig onderonsje met hapjes en drankjes.
Doordat hij zijn plotselinge verschijning even had moeten verwerken, had Mark een ogenblik geaarzeld. De tiener naast hem moest zijn zoon zijn, intussen onherkenbaar veranderd, zoals hij op de schaarse momenten waarop hij hem zag steeds van gedaante leek te zijn verwisseld.
Zijn broer wees langs hem de gang in, met vragende blik.
Mogen we even binnenkomen?
De jongen oogde gespannen en leek er ieder moment als de bliksem vandoor te kunnen gaan. Zijn vader leek hierop te anticiperen door zijn hand zwaar op diens onderarm te leggen, klaar om deze vast te schroeven, mocht hij zoiets willen proberen.
Frans was dikker geworden. Zijn lichaam werd ternauwernood in toom gehouden door een donkere wollen overjas, waarvan de knopen in de knoopsgaten spanden. Zijn met rode vlekken bezaaide, pafferige gezicht werd half bedekt door een baard, die Mark nog niet kende en hem het aanzien gaf van een woesteling uit een of ander historisch filmdrama. In combinatie met zijn Slavische neus, die uit steen gebeiteld leek, gaf deze hem een extra viriel uiterlijk.
Hij had het altijd ongemakkelijk gevonden de Slavische gelaatstrekken van zijn moeder in een grovere variant in zijn broer terug te zien, omdat deze haar juist een geheimzinnige schoonheid hadden verleend. Het figuur had Frans van zijn vader: een breed bovenlichaam op dunne, bijna vrouwelijke benen. Alleen waar de gestalte van zijn vader atletisch was, was hij zwaarder, waarbij het vet vooral rond zijn maag aangroeide, zodat het leek alsof de benen de weelde van zijn zware bovenlichaam niet konden dragen. Het gaf zijn gestel een wankel aanzien, hoewel hij louter zelfvertrouwen uitstraalde.
De jongen maakte naast hem een fletse indruk en zag er in zijn grauwe,
vormeloze kleren vrij non-descript uit.
Nieuwsgierig nam hij zijn neef nauwkeuriger op. Diens broekriem had nog geen vet om zich aan vast te houden, zodat het kruis van zijn broek tot halverwege zijn dijen hing en een kolderieke, functieloze zak vormde. Hobbezakkig was ook het trainingsjack dat als een tent over zijn smalle schouders viel. Zijn voeten staken in hoge sportschoenen zonder veters.
De blonde trekken had hij van zijn moeder, van wie Mark maar een vaag beeld had overgehouden. De zijkanten van zijn schedel waren opgeschoren, waardoor zijn gezicht er nog langwerpiger en magerder uitzag. Het overgebleven haar was met gel tot een glimmend dakje gekneed. Zijn ogen hadden een afwezige uitdrukking en lagen diep in hun kassen verscholen. Door de spierwitte huid leken ze nog holler. Het leek alsof hij nooit buiten kwam en weinig sliep. Hij zag er minstens zo ongezond uit als zijn vader, alleen dan op een tegenovergestelde manier.
Frans trok hem de drempel over. De jongen struikelde bijna en maakte zich daarna met een wilde, geërgerde beweging uit diens klemmende greep los.
Kom, begroet je oom eens, moedigde Frans hem aan. Alles leek gericht op zijn vernedering, die de jongen verdroeg door zo onverschillig mogelijk te kijken.
Werktuiglijk stak hij een hand uit die hij vervolgens bij wijze van rebellie slap liet hangen.
Mark raapte de hand op en voelde hoe knokig en klam deze aanvoelde.
Dag… hij aarzelde even, zoekend naar de jongensnaam die diep in zijn geheugen was weggezakt.
Niels, hielp zijn vader.
Mark kneep hem daarop in de slappe hand, hartelijkheid veinzend in een poging het ongemak dat tussen hen bestond weg te nemen.
Inderdaad, loog hij. Het klonk hem zelf vals in de oren. Als zijn broer er alleen had gestaan had hij minder vriendelijk gedaan.
Wat kwam hij hier in ’s hemelsnaam na al die tijd doen? vroeg hij zich intussen af.
Hoe lang had hij hem al niet gezien? Zes, zeven jaar? Het moest op de begrafenis van oom Berend geweest zijn en toen hadden ze elkaar nauwelijks gesproken. Het was een vrij bizarre bedoening geweest.
De oom was de jongste broer van zijn vader en was plotseling op straat in elkaar gezakt; noch hij noch zijn broer had veel contact met hem gehad. Ze waren dus uit pure beleefdheid verschenen, zoals bij verre kennissen of bij collega’s die je altijd had gemeden. Tijdens de koffie en cake had hij Frans in de verte in het midden van een kleine groep zien staan, waarbij hij zoals gewoonlijk alle aandacht naar zich toetrok, zijn woorden met brede gebaren ondersteunend en harder lachend dan betamelijk was. Beschaamd was Mark daarop snel vertrokken. Dit beeld stond hem steeds voor de geest als zijn naam opdook en bevestigde hem in het besluit dat hij ooit genomen had om niets meer met hem te maken willen hebben.
Mark had de zware, wollen jas op de kapstok gehangen en rook de scherpe citroengeur van aftershave. De jongen hield zijn trainingsjack aan. Ze liepen door naar de huiskamer. Omdat hij nooit iemand verwachtte, zag deze er rommelig uit. Had hij maar weer eens opgeruimd. De kamer lag bezaaid met kranten en tijdschriften. Op tafel stond nog een gebruikt koffiekopje. Daarnaast een schaaltje waarop nog wat koekkruimels lagen. Beschaamd rook hij ineens de bedompte lucht, die hem anders nooit opviel. Op de salontafel schemerde een fijn laagje stof in het licht van de halogeenlamp, die hij had aangeknipt.

Zijn broer hees met een theatraal gebaar zijn broek op, voordat hij zich in Marks gemakkelijkste fauteuil liet vallen; de lucht die daarbij protesterend uit het vermoeide leer ontsnapte viel op merkwaardige wijze samen met de luide zucht die hij erbij slaakte. Breed liet hij zijn armen op de leuningen rusten en keek tevreden om zich heen. Mark had geen idee waarom.
De jongen was eerst als een slaapwandelaar blijven staan, maar ging na een korte, gebiedende vinger van zijn vader gehoorzaam op het puntje van de bank zitten, de onderarmen op zijn wiebelende dijen. Met zijn doodshoofdkop zo diep mogelijk in zijn capuchon verscholen, had hij iets weg van een middeleeuwse monnik.
Mark begon medelijden met hem te krijgen.
Wil je wat drinken? vroeg hij, waarbij hij een beetje door zijn knieën zakte om hem in de ogen te kunnen kijken.
Toen hij even later weer binnenkwam met twee glazen vruchtensap – de gevraagde cola had hij nooit in huis – stak zijn broer van wal.
Je vraagt je zeker af wat ik hier kom doen. En waarom ik deze snuiter heb meegebracht.
Zijn opgeruimde manier van praten was alarmerend, omdat zijn woorden vlot op een nog onbekend doel afstevenden, waar hij iets mee te maken zou hebben.
De handen tegen elkaar vouwend leek hij even na te denken, waarna hij zijn vingers beurtelings naar achteren boog, waarbij de gewrichten knapten, een irritante gewoonte die Mark zich van vroeger herinnerde. Het was een van de manieren waarop zijn broer zich uit benarde situaties redde of juist de aandacht op zich wilde vestigen.
Het zit namelijk zo…
Hij had altijd de gewoonte gehad omstandig het woord te voeren. Door iets breed uiteen te zetten kwamen zijn verhalen gewichtiger over, een manier van doen die hem vast veel geholpen had bij zijn zaken.
Dat hij onverminderd succesvol was, wist Mark, ook al had hij hem al jaren niet gesproken. Zijn bouwfirma was verantwoordelijk voor diverse bouwprojecten in en om het dorp. Overal zag hij de triomfantelijke borden met ‘Olympus Bouwprojecten’ staan; zelfs in de stad was hij de aankondigingen tegengekomen. Zijn broer bouwde aan de wereld. En natuurlijk vooral aan zijn eigen kapitaal.
Er kwam een heel verhaal over hoe druk hij het had en hoe zijn huwelijk daardoor altijd onder druk had gestaan.
Annet heeft het hierdoor – mag ik wel zeggen – zeer moeilijk gehad, ik realiseer me dat heel goed, maar het leven van een zakenman… klanten niet teleurstellen.
Mark voelde zijn belangstelling tanen en probeerde zich intussen Annet voor de geest te halen. Een magere, blonde vrouw met te veel make-up doemde in zijn herinnering op. Van een afstand dacht je met een meisje van achttien te maken te hebben, totdat je door het gezichtspoeder het craquelé van haar rimpels zag. Hij had zich altijd afgevraagd hoe zij zo schriel kon zijn. Waarschijnlijk at ze niet. Of ze pafte een pakje sigaretten per dag weg. Of allebei. Ze kon wel tien keer in haar echtgenoot. Ze straalde een en al desinteresse uit. Hij had nooit een woord met haar kunnen wisselen.
Kortom, Annet en ik zijn uit elkaar. Hij bracht het als een onontkoombaar feit. Frans zag de vraagtekens op Marks gezicht, maar weigerde enige uitleg te geven.
Een trieste geschiedenis, vertel ik je later nog wel.
Mark verbaasde zich altijd weer over het vanzelfsprekende gemak waarmee Frans de regie nam, en dat hij dit altijd weer met zich liet gebeuren.
Blijkbaar deden de gebeurtenissen er niet toe, en hij durfde er ook niet naar te vragen, uit angst zich op te intiem terrein te begeven.
Frans wierp een melancholieke blik op zijn zoon, die Niels totaal ontging; afgaand op zijn starende ogen leek hij in een andere dimensie te verkeren.
Het geval is dat we gaan samenwonen, hervatte hij opgewekt.
Mark kon de gedachtesprong niet volgen en keek hem glazig aan. Ook het van de hak op de tak springen was een bekende strategie; hiermee zette zijn broer de beslissende demarrage in, om een voorsprong op zijn aandacht te krijgen en hem vervolgens te kunnen overrompelen. Nog even en er zou veel duidelijk worden.
Loes en ik, verklaarde Frans.
Er volgde een verhaal over een receptioniste. In de dertig. Echt een heel leuke meid. Mooi ook… op straat draait iedereen zich naar haar om, zei hij vettig, waarbij een mondhoek vertrok van trots.
Enfin, ze waren verliefd geworden. En nu wilde ze met haar twee jonge kinderen bij hem intrekken.
Mark hoorde het met tegenzin aan. Wat had hij te maken met de affaires van zijn broer? En waarom moest deze in de nabijheid van zijn zoon zo breed worden uitgemeten? Waarom vertelde hij niet gewoon wat hij kwam doen?
Het was echter niet Marks gewoonte anderen te onderbreken. Dus bleef hij met nauwelijks verholen ongeduld en irritatie naar zijn verhaal luisteren, dat vooral over hemzelf, Frans, leek te gaan. Wat prees hij zich gelukkig hem nooit meer te hebben gezien, maar wat een ellende dat hij weer was komen opdagen. Hoe kwam hij weer van hem af?
De vraag die hij zich vroeger vaak gesteld had werd opeens weer actueel: hoe was het mogelijk dat dit zijn broer was? Deze snoevende vleesboom. Niets hadden ze gemeen. En dat was altijd zo geweest, in de loop der jaren waren de verschillen alleen nog duidelijker geworden.
…. en ja, dat trekt ze gewoon niet, concludeerde Frans waarbij hij zijn handen vertwijfeld in de lucht hield.
Niet dat ze Niels geen aardige knul vindt – hierbij wierp hij een warme blik op zijn zoon die strak naar de grond bleef kijken – maar ze wil gewoon opnieuw beginnen. Ze wil ook een kind van mij, bekende hij.
Frans bouwt aan de wereld, dacht Mark weer. Met tweede leg. De eerste leg zat er verloren bij.
Toen Mark zijn blik iets te lang op hem liet rusten, keek de jongen even uit zijn lethargie op met ogen die plotseling gloeiden van machteloze woede. De bouwkoning heerste ook over zijn leven.
De zoon moest het veld ruimen voor het geluk van zijn vader, die hij voor de voeten liep, ook al kon Mark zich niet voorstellen dat er in diens grote huis voor hem geen plaats kon zijn.
Annet kan hem dus niet hebben, zei hij, alsof dat iets volstrekt vanzelfsprekends was. Voor Niels is het ook niets, hè jongen? sprak zijn vader vergoelijkend. Hij vind zijn jonge schoonmoeder heus aardig, ging hij verder, maar voelde zich wat ongemakkelijk tussen haar twee drukke, jonge kinderen, en kan nooit eens rustig zijn huiswerk maken.
Af en toe probeerde hij met een hoofdknik of armgebaar Niels erbij te betrekken, maar de jongen hield zich met al zijn ingehouden rabiate verzet in de donkere crypte van zijn capuchon verscholen.
Marks medelijden groeide meer en meer.
Hij zal van school af moeten, ging Frans verder, maar dat kan makkelijk in zijn voorexamenjaar. Hij zal er niet slechter van worden. Misschien is het zelfs wel goed. Leert hij flexibel te zijn. Dat is toch ook de maatschappij waarin we leven.
Mark had hier blijkbaar iets gemist. Frans’ plotselinge verschijning en zijn pathetische verhaal, waaronder een paar echte drama’s lagen verscholen,  hadden hem van zijn stuk gebracht, maar hij wist nog steeds niet hoe hij dit met zijn eigen leven in verband moest brengen.
Frans’ verhaal leek bijna rond. Alleen de uitsmijter ontbrak nog. Het finale verband tussen Frans, Niels en hemzelf werd uiteindelijk duidelijk toen zijn broer de vraag stelde, waarvoor hij in feite was gekomen, en die meer als een besluit had geklonken.

Belangstelling gekregen voor dit manuscript? Neem dan a.u.b. contact met mij op via mvdberg@defactortaal.nl