De kracht van de observatie

Recensie van 'Zog' van Erik Lindner                                                                                                             15 april 2018

De nieuwe bundel van Erik Lindner telt maar zes gedichten, waarvan er echter vier uit meerdere delen bestaan. Het titelgedicht 'Zog' telt elf van die delen en gaat over de zee. Het getuigt van lef om in deze tijd met natuurlyriek te komen en zeker over een universeel landschap als de zee, waar iedereen sterke beelden van heeft. Wat voeg je als dichter aan al die eerder beschreven en breed gevoelde ervaringen nog toe?
Lindner probeert de kust en de zee niet in weidse metaforen te vangen, maar roept de sfeer ervan op door alles wat hij ziet heel minutieus te beschrijven: 'teruglopend water, meertjes achter zandplaten/geulen tussen geribbeld opgedroogd zand [...] een golf komt op me af/trekt zand met zich mee terug'.
Al lezend verbaas je je over al die zakelijke beschrijvingen. Is dit nog poëzie? Je leest observaties die je zelf ook zou doen als je, zoals Lindner gedaan heeft, de tijd neemt om nauwkeurig naar de zee te kijken. Bij mij zorgden ze voor een en al herkenning.Lindner gebruikt weinig beeldspraak en als hij dit doet is deze weinig opzienbarend: 'boortorens zijn mannetjes met uitgestrekte armen', 'netslierten lijken op 'spinrag'. Soms slaat hij de plank zelfs mis: 'Zeewier dat stenen de huid van een aap geeft'. Zo'n metafoor verstoort de sfeer. Het is over het algemeen kale taal. Lindner is karig met adjectieven en houdt deze vaak eenvoudig: 'grijze vlakken', 'ronde bol'. De distichons waaruit het gedicht voornamelijk is opgebouwd bevatten geen opzichtig rijm, wel veel subtiel halfrijm.
De kracht van het gedicht schuilt vooral in de herhaling, die inherent is aan dit landschap: de zee is immers voortdurend in beweging. Dus rollen de golven in het gedicht af en aan: 'teruglopend water onder nieuwe golven/terugglijden schuim dat opnieuw wordt voortgestuwd' en even verder 'golven die in ongelijke linies optrekken/water dat het opgeeft en ten onder gaat'. Steeds lees je variaties op dit thema. Verder is er de voortdurende wisselwerking tussen de wolken en zon. Hieraan komt pas een einde als de dag uiteindelijk in de nacht oplost: 'een reep roze [...] de einder ontkracht', 'de fel beschenen kamer verdwijnt in een gloed'. De herhaling wordt ook zichtbaar gemaakt door regels op dezelfde manier op te bouwen: 'water dat niet verder reikt' [...] 'water dat een drempel voor uitvloeiend water is' [...] 'water dat het opgeeft en ten onder gaat'. Vorm en inhoud vallen zo knap samen. Bovendien verlenen de constructies het gedicht een bepaald ritme, dat je pas goed hoort wanneer je het hardop leest. De regels krijgen zo iets magisch. Door dit ritme en de goed beschreven details wordt de schoonheid van de zee als vanzelf opgeroepen. De dichter heeft geen extra beelden en klanken nodig. Nadeel hiervan is wel dat het gedicht nogal afstandelijk blijft. Hoewel er sporadisch wel sprake is van een 'ik' wordt de ervaring niet duidelijk op het persoonlijke betrokken. De 'ik' is een willekeurige figurant, net als de vrouw met een paraplu en de hardlopers die hij op de promenade ontwaart.
Je zou het gedicht kunnen lezen als een pleidooi voor verwondering, die ontstaat als je maar nauwkeurig wilt kijken. Banale verschijnselen kunnen dan een schoonheidservaring worden: 'Zo snel als een vlieger omhoog flakkert/en onder de wind duikt/zo vlug als golven over elkaar trekken/zoals water om een steen draait/zoals golven samen een front vormen/dat het strand niet haalt'. Ook hier trouwens weer de bezwerende kracht van het parallellisme. De lezer gaat in het zog van het dichterlijk oog mee.
Ook het daaropvolgende lange gedicht 'Seraing' bevat opnieuw veel beschrijvingen. We bevinden ons in een totaal ander, want industrieel landschap: een leegstaande fabriek in de Waalse stad Seraing, maar die net als de zee desolaat is, zij het op een naargeestige manier: 'Ver boven de brokstukken op de grond/staat een afdruk in het stof dat nat is/geraakt en weer opgedroogd' [...] 'moeten en gekerfde kreten/in houtblokken die op de grond vallen' [...] 'het puin dat daar ligt de resten van straten'. Ook in dit landschap hebben zon en wind vrij spel. Het perspectief ligt hier bij een 'je' die de wankele stellages beklimt en zich goed moet vasthouden. Later blijkt dit een meisje of jonge vrouw te zijn: 'een plateau/waar je je panty afrolt het bloeden dept met een doek'. Een kwetsbare figuur dus in een gebouw dat ondanks zijn hardheid ook kwetsbaar bleek te zijn. De vorm is geconcentreerder dan in 'Zog' met steeds drie terzinen en regelmatige versregels.
'Man in het water' en 'Berlin, Berlin' zijn korte gedichten. 'Man in het water' schreef Lindner voor een eenzame uitvaart van een verdronken man en is daarom veel persoonlijker van toon. Met grote verbeeldingskracht stelt hij zich de laatste momenten van deze man voor, waarna hij op surrealistische wijze beschrijft hoe de man in de eeuwigheid wordt opgenomen. Heel mooi. In 'Berlin Berlin' stolt alle beweging tot glas, tot materie.
In het volgende, weer langere gedicht 'Roeiers op de Aasee' bevindt de dichter zich aan een artificieel meer bij Münster, waar net een roeiwedstrijd wordt gehouden. Evenals in 'Zog' beschrijft hij heel precies wat hij ziet: 'een roeier [...] leunt achterover en trekt aan de riemen/en buigt voorover en duwt ze op'. Aanvankelijk maken de roeiers deel uit van een vredig tafereel met 'het zachte piepen van de riemen door de dollen'. Eenmaal in volle vaart verandert dit en veroorzaken ze 'golven naar het einde van het meer' en wordt de rust verstoord door 'het krijsen van de stuur' en 'de echo's van de speakers'. De dichter wil zich graag in het landschap van dit meer verliezen. 'Water dat ik moet kunnen zien om mezelf kwijt te raken', verzucht hij tot twee maal aan toe. Maar dat lukt hem zo niet erg.
In 'Man in de mist' keert Lindner terug naar de kust. Het is opnieuw een gedicht waarin de elementen rondwoelen, die in meerdere verschijningsvormen worden beschreven. De man in de mist is een visser die in het landschap opgaat. De 'ik' observeert, 'de branding aan mijn voeten'. Net als 'Zog' eindigt het gedicht met de zon, die – in haar zog – kleine wolken met zich meetrekt. Zo is de bundel mooi afgerond.

                                                                                                      

                                                                                                        Erik Lindner, 'Zog'. Van Oorschot, Amsterdam 2018

De lange weg naar berusting
Recensie van 'Binnenplaats' van Joost Baars                                                8 februari 2018

Dat een debutant meteen de VSB Poëzieprijs wint, stemt nieuwsgierig. 'Binnenplaats' van Joost Baars blijkt een ambitieuze bundel waarin je flink je tanden moet zetten.
De bundel lijkt op het eerste oog nogal onsamenhangend met eerst een aantal gedichten over een 'Jij', met hoofdletter geschreven, daarna een afdeling gedichten met titels als 'Karl Marx' en 'Hannah Arendt', dan plotseling vertalingen van negentiende-eeuwse sonnetten en vervolgens een reeks vogelgedichten. Na herlezing blijkt hier wel degelijk een rode draad in te zitten.
'Binnenplaats' opent met een apart staand gedicht waarin minutieus wordt beschreven hoe de vrouw van de 'ik' plotseling ter aarde stort en met een ambulance wordt weggevoerd. In de afdeling die daarop volgt, blijkt zij te zijn overleden: het licht van zijn bureaulamp is een 'zinsbegoocheling', 'nu even zeker als het leven van mijn vrouw'. In maar liefst zestien titelloze gedichten vol gemis, verlangen en vertwijfeling wordt de 'Jij' of 'Jou' aangesproken, in een poging over de dood heen contact met haar te krijgen. Zij kan echter alleen nog maar bestaan in de taal, die opwelt 'uit een plek in mij die niet klinkt/waar de taal waarmee ik dit zeg/niet bestaat, totdat Jij het zegt', waarbij zij zich 'in elk gesprek aan alle taalweerslag onttrekt'.
Door het willen terugroepen van de gestorven geliefde in poëzie, doen deze gedichten erg denken aan 'Doodsbloei' van Pieter Boskma, waarin deze de rouw over zijn gestorven vrouw verwerkt. Baars' taal is echter kaler. Het zijn korte regels, er is weinig beeldspraak, de dichter werkt weinig met klank. De gedichten moeten het vooral hebben van het ritme, van de herhaling, waarin een idee van verschillende kanten wordt belicht, die de gedichten hun bezwerende karakter geven. 'Ik heb Jou gezocht en Jij hebt mij/gevonden. wat is het/dat Jij in mij zoekt? ik volg je blik die zich altijd weer richt/op mij, zich altijd weer afwendend/ denkend: doe Jij dat of ik?'
Door die voortdurende bevraging en het binnenstebuiten keren van de werkelijkheid zijn de gedichten beknopte filosofische beschouwingen over leven en dood, eindigheid en eeuwigheid, tijd en ruimte. Door 'Jij' en 'Jou' met hoofdletters te schrijven, die verder geheel ontbreken, en door veelvuldig de symboliek van het licht te gebruiken, krijgen ze een religieus karakter. Het gaat Baars echter niet om een godsbesef, wel om iets te benoemen wat boven de werkelijkheid uitstijgt, om troost te vinden voor het verlies van iemand die er niet meer is.
In de volgende sectie gedichten getiteld 'Meer dan aan elkaar' trekt de dichter zijn problematiek breder door zijn gedichten aan bekende figuren op te hangen. Maar ook hier gaat het over de afstand tussen geliefden en over de dood. In 'Tom Waits' laat hij deze tegen zijn geliefde zeggen: 'geef me andere woorden dan deze/een andere wijze/om jou ergens anders/dan slechts in mijn blik te laten bestaan'. Het kan nu ook gaan om een 'vriend [die] de nacht niet doorgekomen blijkt'. Zo is 'Het groeien van de ruimte' opgedragen aan de jonggestorven schrijver en dichter Thomas Blondeau. Eerder schrijft de dichter: 'tussen vertrek en aankomst is alleen een lijn, geen ruimte'. Het is deze lijn die de 'ik' vanuit zijn 'binnenplaats', met de ander tot stand probeert te brengen.
De vertalingen van de 'Sonnets of desolation' van Gerard Manley Hopkins sluiten naadloos op de vorige gedichten aan. Hopkins beschrijft hierin op bittere wijze zijn worsteling met zijn eenzaamheid en verdriet: 'Ik ben gal, ben maagzuur. Gods diepste beschik/Smaakt bitter op mijn tong'. Toch wil hij zich niet aan zelfmedelijden overgeven en spreekt zichzelf toe: 'kom, simpelziel [...] verlaat eens je gedachten; gun troost wortelplek'. Voor de jezuïet Hopkins bood God uiteindelijk troost. Je vraagt je op dat moment af hoe dat met de dichter van deze bundel zit.
Dan volgt een laatste reeks gedichten onder de noemer 'Het dal van Spoleto' waarin Baars als een Sint Franciscus tot de vogels spreekt. Ook hier gebruikt hij dus weer de aanspreekvorm. Door zich aan vogels te spiegelen probeert de dichter tot de kern van het leven terug te komen, bijvoorbeeld dat de natuur vol tegenstellingen is: 'iets leeft als het tegenstellingen/in zich draagt/en jij, roodborstje/lééft'. Hij beschrijft hoezeer de mens van de natuur is afgedwaald, 'wij die niet van de aarde zijn' door zich te laten leiden door economie en techniek en hij realiseert zich hoezeer ook hij is aangetast '[door] ambitie die door de competitiecultuur in mij is geplant'. De dichter mijmert over een buizerd die zijn prooi niet ziet, en dus net zo min als hij een bepaalde grens kan oversteken. Verderop zou hij met de zwaan willen 'vervliegen/wij drijvende stadrekwisieten/op een ander soort habitat aan'. De identificatie met de natuur biedt troost.
In het laatste gedicht van de bundel, gescheiden door een witte bladzijde, spreekt de dichter opnieuw tot een 'jou', ditmaal met een kleine letter geschreven, met wie hij opnieuw wil beginnen. De dichter is door zijn ervaring gelouterd: 'je te kennen is [...] je elke dag/te leren verliezen'. Je kunt niet anders dan de chaos, 'de entropie omarmen/die zich dagelijks/met jou beginnen/laat' en beseffen dat er iets groters is 'waaraan we beiden toebehoren/meer dan aan elkaar.' Met deze berustende woorden eindigt deze metafysische bundel, die een boeiende en gevarieerde weergave is van een geestelijk groeiproces.

Hopeloze gevallen uit de provincie                                25 december 2017
Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa

Joe Speedboot was het ultieme jongensboek en is niet voor niets een hit op leeslijsten van middelbare scholieren. En ook meisjes kunnen het boek wel waarderen, omdat het toch om leeftijdsgenoten gaat en er een hoop opwindende dingen in gebeuren.
Tommy Wieringa's laatste boek De heilige Rita zou je opnieuw een jongensboek kunnen noemen, zij het dan voor oudere mannen. De jongens gaan op avontuur en de meisjes hebben een dubieuze reputatie, hoewel zich aan het eind van het boek een serieuze partner voor hoofdpersoon Paul Krüzen aandient, maar dan gaat het eigenlijk al niet meer goed met hem.
Na boeken die zich in Engeland en Egypte afspeelden (Caesarion) en in de voormalige Sovjet-Unie (Dit zijn de namen), heeft de handeling weer plaats in de provincie in opnieuw een fictief plaatsje, net als in Dit zijn de namen een grensstadje. Dat laatste levert immers interessante romanstof op vanwege de tegenstellingen die voor het oprapen liggen.
Mariënveen is anders dan het Lomark uit Joe Speedboot behoorlijk internationaal georiënteerd, met import uit Polen, Rusland en China. Maar ook hier schudden de buitenstaanders de plaatselijke cultuur flink op. Dit proces was wel al een tijd aan de gang. Was de Rus die met zijn vliegtuig in de akker van Pauls vader crashte nog een vergissing – het gegeven van een vliegtuig is trouwens een aardige verwijzing naar Joe Speedboot - , later arriveren de Chinezen in het kielzog van een Chinese huwelijkspartner en na de val van het IJzeren Gordijn de Oost-Europeanen. Opnieuw is het een Rus, een crimineel ditmaal en geen held, die voor opwinding zorgt, als compagnon van een plaatselijke crimineel.
De autochtone bevolking moet met al die veranderingen zien om te gaan. En dat valt niet mee. Hoewel de Chinezen met hun babi pangang en animeermeisjes (waaronder Rita) voor de noodzakelijke verdoving zorgen, blijven ze altijd op afstand; ze verdwijnen later geruisloos uit het dorp. Zelfs de snackbareigenaar kent uiteindelijk zijn eigen vrouw niet. Je zou kunnen zeggen dat alleen de plaatselijke crimineel er wel bij vaart.
De belangrijkste personages blijven in het verleden steken. Paul verkoopt oorlogstuig uit de Tweede Wereldoorlog, zijn vader, die hij verzorgt, heeft zich na het vertrek van zijn vrouw in huis teruggetrokken en zijn vriend Hedwiges runt een kruidenierszaak uit het jaar nul waar veel producten over de datum zijn. Net als zij zelf. Want wat dit boek aangrijpend maakt is hun eenzaamheid, waardoor het me sterk deed denken aan Gerbrand Bakkers Boven is het stil, waarin ook de relatie tussen vader en zoon een belangrijke rol speelt en de provincie hun eenzaamheid versterkt. Het zijn mannen die niets anders meer hebben. Al oudere mannen. Voor echte liefde is het te laat.
Het is het soort man dat momenteel in de media wordt verketterd: de middelbare witte man die hecht aan zijn tradities en gewoonten. Wieringa lijkt in deze roman begrip voor hen te vragen, omdat ze verre van xenofoob zijn, maar alleen kansen in het leven hebben gemist en vermorzeld zijn door de veranderende tijd. De heilige Rita is hun beschermheilige, 'de patrones van de hopeloze gevallen'.
Het zijn de gewone personages die de roman bijzonder maken, door hun kleurrijkheid. Wieringa weet de juiste details te treffen, is lekker suggestief en schrijft alles mooi op; vooral de natuur wordt met originele pen beschreven. De thematiek is weliswaar niet verrassend en je kunt de schrijver vanwege de nodige clichés (de hoeren, het pistool op het nachtkastje) betichten van effectbejag, maar om van zo weinig zo veel te maken is een knappe prestatie.

Couperus' kracht
Een geslaagde toneelbewerking van 'De stille kracht' door Toneelgroep Amsterdam

In de RABO-zaal stond de waterinstallatie, waar in de pers veel over te doen was al aan; de planken vloer was doorweekt voordat de theatervoorstelling van De stille kracht door Toneelgroep Amsterdam begon.
Hoewel zijn verzameld werk al jaren geleden door De Slegte werd verramsjt - al die mooie zilveren delen - is Louis Couperus onze meest klassieke schrijver. Vergelijkbaar met Tolstoj, Balzac of Henry James, maar omdat hij tot zo'n klein taalgebied behoort, veel minder vermaard.
Zijn werk raakte in de jaren '70 weer in de belangstelling door uitmuntende televisiebewerkingen door Walter van der Kamp van de romans Van oude mensen de dingen die voorbijgaan en De stille kracht, met een keur aan geweldige acteurs, zoals Han Bentz van den Berg, Hans Dagelet, Josine van Dalsum, Lex van Delden, Willem Nijholt, Bob de Lange en Caro van Eyck, waarbij mij behalve het sterke acteerwerk ook het prachtig gearticuleerde Nederlands opviel. Dit waren natuurlijk allemaal toneelacteurs, die nog wat over dictie hadden geleerd. De badkamerscène in De Stille Kracht met een Pleuni Touw in vol ornaat, zorgde destijds voor veel opwinding.
Toneelgroep Amsterdam besteedt nu en de komende seizoenen bijzondere aandacht aan het werk van onze grootste schrijver met bewerkingen van De stille kracht, Van oude mensen en zijn magnum opus De boeken der kleine zielen. Het theaterstuk De stille kracht van regisseur Ivo ten Hove is een originele bewerking vol vaart en spektakel, zonder dat dit ten koste gaat van het verhaal of de taal van Couperus.
Oppervlakkig gezien is het een soap: overspel, machtsmisbruik, manipulatie, een onecht kind. Couperus begon als schrijver van feuilletons waarin de lezer steeds door de verhaallijnen geboeid moest worden en was hier een meester in. Het maakt zijn werk zeer geschikt voor toneelbewerkingen.
Maar het is uiteraard meer, het is literatuur. Couperus heeft een zeer herkenbare thematiek, de personages worden raak getypeerd en hebben diepgang en het is bovenal prachtig opgeschreven.
Deze mooie taal werd dus in de toneelbewerking recht gedaan, hoewel zij af en toe wel was gemoderniseerd. Zo werd Otto door zijn bastaardzoon verweten 'rondgeneukt' te hebben. Het soms lossere taalgebruik was nooit storend en maakte de presentatie natuurlijker en toegankelijker.
Want dat was natuurlijk de uitdaging: hoe maak je een verhaal uit 1900 aantrekkelijk voor publiek van ruim een eeuw later? Daarvoor is er een heleboel uit de kast gehaald.
Zo werd heel effectief gebruik gemaakt van beelden, van uitgestrekte sawa's en historische ontmoetingen, die op de drie grote wanden werden geprojecteerd, en van muzikale effecten – met veel Oosterse accenten - die door componist Harry de Wit op het toneel werden verzorgd.
Het meest spectaculair was 'de regenmachine', waarmee de natte moesson werd uitgebeeld, waarbij de eerste rijen het niet geheel droog hielden. Een noodweer werd zeer overtuigend uitgebeeld, waarbij De Wit al slaand op een Indonesische gong de bliksem verklankend over het podium sprong.
Een opvallend intermezzo was een meerstemmig gezongen 'Wier Neerlands bloed' inclusief een quasi-vreugdevol rondedansje. Hoewel er altijd tempo in de voorstelling zat, ging dit nooit ten koste van de diepgang en was er steeds veel ruimte voor introspectie, wanneer Couperus' noodlotsgedachte door de personages werd verwoord.
Dramatisch hoogtepunt was ook hier de badkamerscène waarin ook Halina Reijn zich bloot durfde te geven. De scène waarbij het water dat zich over haar uitstortte rood gekleurd werd, was zelfs nog dramatischer dan die van de televisiebewerking.
Ze was volstrekt overtuigend als de 'vamp' Leonie. Gijs Scholten van Aschat speelde resident Otto van Oudijck souverein. Maar het was vooral Maria Kraakman in de rol van Eva Eldersma, die opviel met volstrekt natuurlijk spel. Ook de jonge acteurs speelden prima. Jammer alleen dat ruzies op het toneel altijd moeten worden uitgeschreeuwd, wat ik ten koste van de geloofwaardigheid vind gaan, maar dat is ongetwijfeld een toneelconventie. Doordat er op het grote toneel veel tegelijk gebeurde, was het soms moeilijk het overzicht te behouden. Je kunt maar naar één ding tegelijk kijken.
Op den duur kreeg ik medelijden met de acteurs die voortdurend doorweekt waren - misschien een beetje te veel van het goede, genoeg om een ziekte van op te lopen. Hierdoor moesten ze zich vaak verkleden. Ook de componist kreeg de volle laag van de watermachine en haalde regelmatig zijn handen door zijn doorweekte haren; de plassen stonden op de vleugel.
Maar alles bij elkaar wordt Couperus' thematiek door deze voorstelling overtuigend duidelijk gemaakt: het eeuwige onbegrip tussen culturen en tussen mensen onderling, die gedreven worden door wat ze ten diepste zijn.
Dit te laten zien is Couperus' kracht. Toneelgroep Amsterdam heeft dit succesvol vertaald naar toneel.

                                                                                                                 Januari 2016

Zoektocht naar jezelf
Over In goede handen van Robbert Welagen

Je moet als schrijver van goeden huize komen om nog origineel te zijn. Als aan het begin van In goede handen, de nieuwe roman van Robbert Welagen, hoofdpersoon Erik Bergmans vanuit de trein zichzelf op het perron ziet lopen houd je je hart vast: weer een roman met een dubbelgangersmotief. De hoofpersoon is zo geïntrigeerd door het gegeven dat er een andere versie van hemzelf bestaat, dat hij de trein uitstapt en hem volgt. Net als Dorbeck in De donkere kamer van Damocles, het klassieke dubbelgangersboek uit de Nederlandse literatuur, is de ander een betere versie van hemzelf: iemand met een goede baan, een mooie vrouw, kinderen, een mooi huis in een chique Amsterdamse wijk, enzovoort. Hijzelf kwam op 'het ongeplaveide pad der kunstzinnigheid' en werkt als illustrator. Hij hokt met zijn vriendin op een appartement op vier hoog 'dat niet in verbinding lijkt te staan met de aarde, maar er boven lijkt te zweven'. De ander leidt het leven dat hijzelf graag zou willen hebben, met 'keuzemogelijkheden, comfort'.
Het eerste deel van de roman gaat over de zoektocht naar deze ander. Maar hij kan het huis niet meer vinden, het mist ook nog eens. Hij wordt gebeld en is ervan overtuigd dat het deze andere ik is. Welagen creëert hiermee een geheimzinnige magisch-realistische sfeer. De ander is een soort Joachim Stiller, de mysterieuze figuur uit Hubert Lampo's De komst van Joachim Stiller, een andere titel die mij bij het lezen te binnen schoot. Alleen blijkt de ander, als hij hem eindelijk teruggevonden heeft en onwennig ingestemd heeft met een gesprek, precies hetzelfde te heten, even oud te zijn, ook een broer te hebben die Floris heet en een vader die net als zijn vader bij een reclamebureau werkt. Hij herkent zich op de jeugdfoto die Erik van zichzelf heeft meegenomen. Alleen heeft hij nog een zus (die de hoofdpersoon altijd heeft willen hebben) en zijn z'n ouders nog bij elkaar, terwijl Eriks ouders gescheiden zijn. Zoals Erik vermoedde is hij advocaat. Hij blijkt hem inderdaad te hebben gebeld. De vraag is vervolgens welke rol deze 'ander' in het leven van de hoofdpersoon speelt.
De aanleiding voor zijn zelfreflectie is de kinderwens van zijn vriendin. De hoofdpersoon onderzoekt of hij hier wel geschikt voor is. Kan een kind van gescheiden ouders een goede vader zijn? Kan hij met zijn eenvoudige baan een kind een goede toekomst bieden? Is het kind straks 'in goede handen'?
Het tweede deel is net zo lang als deel 1 en deel 3 bij elkaar en is een terugblik naar zijn jeugd. In eenvoudige, zintuiglijke zinnen met de juiste details wordt deze voorbije wereld prachtig opgeroepen. Deze ingehouden, suggestieve stijl is Welagens grote kracht en doet denken aan Modiano. Ook bij Welagen kan de verbeelding uitgebreid zijn werk doen, dat wat lezen zo aantrekkelijk maakt. Zijn werk is zowel herkenbaar als vervreemdend. Als Erik na lange tijd zijn vader weer ontmoet staat er: 'Ik bevond me op de bodem van de oceaan en de lucht boven me was de waterspiegel. Even dacht ik dat ik geen adem kreeg. Een vliegtuig liet een wit spoor achter, als een boot die ik van onderaf zag.'
In de terugblik staat de scheiding van zijn ouders centraal, die voor hem uit de lucht kwam vallen. Hij was twaalf, een kind dus nog. Door de scheiding werd zijn leven overhoop gegooid en veranderde hij, zegt de hoofdpersoon, 'van een sportief jongetje in de verstilde figuur die ik sindsdien ben gebleven'. De scheiding vormde dus, naar zijn stellige overtuiging, het breekpunt in zijn leven. Als dat allemaal niet gebeurd was, dan was hij die succesvolle andere ik geworden die hij had ontmoet. De angst en onzekerheid van de jonge Erik en de afstand die tussen hem en zijn ouders ontstaat, worden goed beschreven. Je raakt er inderdaad van overtuigd dat hij door deze gebeurtenis is veranderd.
Het mooie van In goede handen is dat je geheel wordt opgenomen in de verbeelding van de hoofdpersoon. Zijn fantasierijke, kunstzinnige aanleg verklaart het hersenspinsel van de dubbelganger. In het derde deel, dat zich weer afspeelt in het heden - de structuur is rond - kantelt zijn zelfbeeld. Een gesprek met zijn broer, die hem bijna het langst kent van allemaal en hetzelfde trauma heeft meegemaakt, levert hem tenslotte de inzichten op waarmee hij verder kan met zijn leven.
Het is uiteindelijk allemaal niet wereldschokkend, maar door de precieze stijl en melancholieke toon is In goede handen een genot om te lezen. En het leven gaat vaak over dezelfde thema's, ook de levens van de wereldvreemde figuren, die de hoofdpersonen in de mooie, kleine romans van Robbert Welagen zijn.

Verlangen naar vergeving
Over 'De Onderwaterzwemmer' van P.F. Thomése

P.F. Thomése werd bij een groter publiek bekend met Schaduwkind, waarin hij het verlies van zijn jong gestorven dochtertje probeert te begrijpen; geen sentimenteel boek, want voor sentimentaliteit is hij huiverig. En daar is hij ook een veel te goede schrijver voor.
Thomése wilde al lang over zijn jong gestorven vader schrijven, hoewel hij dat, op verhulde wijze, al in zijn bekroonde debuut Zuidland had gedaan. Hij heeft nog overwogen dit boek aan zijn vader op te dragen, maar zag ervan af omdat hij niet als een autobiografisch schrijver geboekstaafd wilde worden. Dat is hij ook niet. Hij gebruikt autobiografische elementen voor literatuur, niet andersom. Zelfs zijn schelmenromans over zijn vriend J. Kessels, waarin hij zelf de hoofdrol speelt, zijn van A tot Z verzonnen en druipen van de ironie. Het is een lange neus naar die critici die Thomése verwijten zelf ook autobiografisch te schrijven, terwijl hij zich hier eerder altijd zo tegen had afgezet.
De J. Kessels-boeken zijn dan wel erg grappig, het blijven intermezzo's in het serieuze werk van Thomése, met fantastische romans als Het zesde bedrijf (1999) en De weldoener (2010). Zijn nieuwe roman De Onderwaterzwemmer, hoewel thematisch verwant aan Schaduwkind, past in dit rijtje klassieke romans.
De roman bestaat uit drie delen. Het eerste deel speelt zich af in het rivierengebied dat Thomése goed kent uit zijn jeugd. In het laatste oorlogsjaar zwemmen een jongen en zijn vader de Waal over waar zijn vader een hem onbekende opdracht moet uitvoeren. De beschrijving van de machtige, koude en zwarte rivier kondigt het onheil al aan. Als de jongen de overkant van de rivier heeft bereikt, merkt hij dat zijn vader er niet meer is. Hij is blijkbaar door de sterke stroming meegezogen. Zijn lichaam wordt nooit gevonden. Hij is een 'afwezige' geworden. De jongen, Tin, voelt zich schuldig en is woedend over zijn machteloosheid.
Na dit eerste, korte deel, dat je als een proloog kunt lezen, wordt er een tijdsprong gemaakt van dertig jaar. Tin is met zijn vrouw Vic in Afrika om een bezoek te brengen aan een Foster Parents - kind van de school van Vic (zij is lerares) en over wie zij zich ontfermd heeft. Dit deel beslaat het grootste gedeelte van het boek.
Tin is tegen zijn zin meegegaan, alleen maar om zijn vrouw te plezieren. Hij houdt niet van reizen, hoe dan ook niet van veranderingen. Het ergste vindt hij nog dat zij hun 16-jarige dochter Nikki hebben thuisgelaten. Ook zij is een afwezige. Tin voelt dit als verlies, een directe verwijzing naar Schaduwkind.
Het zit hen niet mee: meteen bij aankomst al worden ze bestolen en die gebeurtenis zet de toon. De Afrikanen kunnen bij Tin niets goed doen. Zijn gedachten - hij spreekt ze namelijk niet uit - bevatten alle stereotypen die er over de zwarte bevolking bestaan: ze zijn onbetrouwbaar, ze rollen voortdurend over de grond van het lachen, ze hebben een doordringende lijfgeur. Hij noemt ze ook steevast negers. Het deed me denken aan de politiek incorrecte toon van de Kessels-boeken en deze voelt als een stijlbreuk met het poëtische deel één. Thomése lijkt het niet te kunnen laten.
Tin en Vic laten zich op sleeptouw nemen door een jong Frans echtpaar en gaan in twee oude Peugeots op stap. Het wordt het begin van een ware helletocht van hitte, dorst en andere ontberingen. Net als de overtocht van de Waal wordt deze reis met veel gevoel voor detail opgeschreven, waardoor je Tins lijdensweg bijna aan den lijve meemaakt. Thomése bouwt de spanning langzaam op. Je voelt aankomen dat de geschiedenis zich zal gaan herhalen, die Tin de kans kan geven zijn eerdere fout – want hij voelt zich nog steeds schuldig aan de verdwijning van zijn vader – recht te zetten.
Omdat alles vanuit Tin verteld wordt, is De onderwaterzwemmer een claustrofobische leeservaring. De vele bespiegelingen over verlies, over schuld, over de werking van de tijd - Thomése springt in het boek door de tijd - hebben een aforistische kracht en doen denken aan Schaduwkind. Het lege land en de pikdonkere nacht, die terugverwijst naar het donkere water van de Waal, sluiten naadloos aan op de gemoedstoestand van de hoofdpersoon.
Een belangrijke passage in het boek is de beschrijving van een toeristische tocht op een rivier waardoor Tin terugdenkt aan zijn vader. Hij heeft het gevoel dat zijn vader al die tijd met hem is meegezwommen. Het blijkt een troostrijke gedachte. Zijn schuldgevoelens worden er evenwel niet minder om. Gedurende het hele boek vraagt de lezer zich af of er voor Tin wel vergeving, redding is. Voor de drenkeling die Tin uiteindelijk ook is.
De onderwaterzwemmer geeft veel stof tot bespiegeling en bevestigt dat Thomése één van onze beste schrijvers is.

                                                                                                                      (mei 2015)

La Grande Bellezza: over momenten van schoonheid

Paolo Sorrentino's La Grande Bellezza is zo vaak met Fellini's La dolce vita vergeleken dat je er met die blik naar gaat kijken. In de eerste langgerekte scène zien we een op harde housebeats feestende beau monde met Felliniaanse excentrieke personages zoals een verlopen cokesnuivende tv-persoonlijkheid en een sjiek geklede dwerg. De rol van Toni Servillo, de ironische, charmante observator Jep Gambardella, zou zo door Marcello Mastroianni vertolkt kunnen zijn. Ook doordat Sorrentino en Servillo al drie keer eerder samenwerkten werd vaak het verband met het duo Fellini/Mastroianni gelegd.
Sorrentino neemt, net als Fellini, voor zijn scènes de tijd, Servillo is met zijn bedachtzame acteren welhaast een anachronisme. Ik houd daar overigens erg van. Schitterend hoe het mooie Italiaans over zijn lippen rolt. De beelden van Rome zijn overdadig en prachtig, net als in 'La dolce vita' en 'Roma'. Dus ja, veel Fellini, hoewel het natuurlijk ook erg Italiaans om de werkelijkheid uit te vergroten.
Wat heeft Sorrentino mee te delen? Een typering van de Romeinse beau monde dus, waarvan Jep Gambardella de koning is, die zich uitleeft in decadente feesten vol alcohol en drugs. Uit gesprekken blijkt dat deze Romeinen door hun uitspattingen de illusie die hun leven geworden is, proberen te vergeten. Het is Jep die hier de vinger op legt. Als schrijver, hoewel hij na zijn succesvolle debuutroman niets meer heeft geschreven en als journalist zijn geld moet verdienen, is hij de ideale observator. Als journalist is hij niet geschikt: hij mist de nieuwsgierigheid en is te veel met zichzelf bezig. Dat één van de tien meest gezochte mannen van Italië in het appartement boven hem woonde, is hem helemaal ontgaan; hij had – heel decadent - alleen aandacht voor diens kostuum.
Dat zijn eigen leven ook een illusie is, wordt hij zich pas goed bewust als hij hoort dat zijn jeugdliefde gestorven is en uit haar dagboeken blijkt dat hij haar grote liefde was. Dit was tegelijk de desillusie van de man met wie ze getrouwd was, die het aan zijn vriend Jep vertelt. De film wemelt van dit soort tragische figuren. Zoals de scriptschrijver die nooit een voet aan de grond kreeg, en die verklaart Rome, dat hem teleurgesteld heeft, te zullen verlaten.
Het is geen opmerkelijke thematiek, maar zij wordt wel fraai in beeld gebracht. En Sorrentino maakt de thematiek zichtbaar in de tijdgeest, zoals in de overdreven aandacht voor uiterlijkheden (jezelf fotograferen, exposeren zelfs, je lichaam botoxen). De film kent enkele krachtige, originele, soms surrealistische scènes. Het personage van Jep, van de decadente, ironische buitenstaander, hebben we vaker gezien, maar wordt door Servillo wel subliem vorm gegeven. Zijn scherpe, zwartgallige, maar ook humoristische en relativerende commentaar op de gebeurtenissen behoren tot de hoogtepunten van de film.
De kerk speelt een belangrijke rol, hoe kan het ook anders in een film over Rome. We zien haar in vele gedaanten: als eeuwige constante, als schijnheilig instituut (een kardinaal die alleen geïnteresseerd is in gerechten en niet in levensvragen), maar ook in een mysterieuze Moeder Theresa-achtige stokoude zuster die Jep de juiste vraag stelt: waarom hij nooit een tweede roman heeft geschreven. Het gaat uiteindelijk om zingeving.
Jammer is dat er weinig ontwikkeling in de film zit, waardoor hij aan de oppervlakte blijft. Oneerbiedig gezegd is La Grande Bellezza een collage van scènes waarin Jep de bindende factor is. Het personage Jep, hoe goed geacteerd ook, is vrij monotoon: iemand aan wie het leven is voorbijgegaan en die met deze mislukking koketteert. Af en toe breekt bij hem de emotie hierover door, waarna hij zich weer snel verliest in het nachtleven. Pas aan het eind van de film is er inzicht en wordt duidelijk wat Sorrentino met de film eigenlijk wil zeggen: dat onze levens weliswaar voorspelbaar verlopen en vol mislukking zijn, maar dat er altijd momenten van schoonheid zijn. Momenten dus, en geen 'grande bellezza', waar Jep zijn hele leven naar op zoek is geweest. Hij realiseert zich de verkeerde prioriteiten te hebben gesteld. Zijn obsessie heeft hem er altijd van weerhouden een nieuw boek te schrijven.
De 'grande bellezza' slaat natuurlijk ook op Rome. Maar dat is een makkelijk effect. Rome is van zichzelf mooi. Hoewel de beelden fraai zijn, worden de visuele effecten je op het laatst bijna te veel en ontstaat de indruk van effectbejag, die ik ook al sterk bij Il Divo, Sorrentino's film over Andreotti, had. Ook de uitgebreide muziekscore draagt aan deze indruk bij, met muziek van o.a. Taverner, Pärt en Gorecki: met zulke schitterende muziek lijkt een film al gauw mooi. Overdaad schaadt. Dit neemt niet weg dat de film veel originele en onvergetelijke scènes bevat en de aandacht steeds gevangen houdt. Het valt in Sorrentino te prijzen dat in zijn films beeld en verbeelding een voorname rol spelen, want daar is film uiteindelijk voor bedoeld.

                                                                                                                         (januari 2014)

"Groundhay, tuinscène", een historische ideeënroman

Marente de Moors nieuwe roman, Groundhay, tuinscène, speelt aan het eind van de negentiende eeuw. Aan het begin van het boek is Valéry Barre, een uitvinder, met de trein op weg naar Parijs om een idee te patenteren, als hij plotseling voor de mogelijke gevolgen van zijn uitvinding terugschrikt en bij een slaperige provincieplaats uitstapt om spoorloos te verdwijnen.
Uitgangspunt voor het boek was de verdwijning van de maker van het eerste bewegende materiaal, Louis Le Prince, die hier dus Barre heet. Het filmpje dat geen drie tellen duurt, en 'Groundhay, tuinscène' heet, toont vier goedgeklede, voorname mensen, twee vrouwen en twee mannen, wandelend in een tuin. Le Prince heeft nooit krediet gekregen voor zijn uitvinding.
Eind negentiende eeuw gonst het van de ideeën. De roman staat vol advertentieteksten voor zulke al dan niet verzonnen hersenspinsels. De een nog krankzinniger dan de ander. Zoals de antifoon waarmee je geluid kunt filteren en zelfs de scherpe kantjes van het Duits afhaalt of de glutineuze memoriaal waarmee je zelf bepaalt wat je onthoudt, 'gooi weg dat loodzware geweten'.
Het is een snel veranderende tijd, waarin belangrijke uitvindingen worden gedaan als die van elektriciteit en licht en het leven in een hogere versnelling gaat 'Alles werd afgeraffeld. Hoe vermoeiend en armoedig was het leven geworden, terwijl het [...] nog geen twee decennia terug, vriendelijk, rustig en kloppend was geweest.' Barre observeert medereizigers die om de haverklap op hun zakhorloge kijken. De parallel met de huidige tijd dringt zich op. Ook wij klagen over hectiek, waarin alles snel snel snel moet; in de trein word je voortdurend geconfronteerd met medepassagiers die maar op hun mobiele telefoontje loeren. Het bij de tijd willen zijn is van alle tijden.
Marente de Moor noemt zichzelf geen moralistische schrijver. Waar het haar onder andere in dit boek om ging was het stellen van vragen rondom leven en het vastleggen daarvan. Het idee dat beeld het leven overleeft, werd destijds griezelig gevonden, terwijl we dit nu normaal vinden. Maar er is nog steeds ontwikkeling, denk maar aan de I-phone en sociale media. Blijft er nog iets over wat niet vastgelegd is? Kunnen we nog geloven dat iets bestaan heeft, als iets niet is vastgelegd? Zijn we alleen nog maar met sporen bezig? Gaat het meer om het kunnen laten zien van de werkelijkheid, dan om de ervaring zelf? Hoe gaat dit verder? Worden straks ook geuren vastgelegd?
Haar boek is – gelukkig – geen whodunit, hoewel het daar wel sporen van bevat, maar een ideeënroman. Het verhaal stelt niet veel voor. Wanneer De Moor aandacht besteedt aan Barres vriend Roussin, een fotograaf, die hem in Parijs af zou halen, gaat het haar om het – in retrospectief weergegeven - dispuut tussen de mannen over de vraag wat meer waarde heeft: stilstaand of bewegend beeld, foto of film, een subliem ogenblik dat suggereert of een precieze weergave van de werkelijkheid, zij het in houterige beelden.
De Moor schrijft klassiek, uitgebalanceerd proza. De taal is beeldrijk vol originele vondsten, zonder opzichtige mooischrijverij. 'Gelukkig hebben we nog steeds de centrale verwarming aan, ons luxe wollig winterdier, dat bezit heeft genomen van alle dertig vertrekken van het huis.' 'Ik grijp hem in de kladden en hij schrikt wakker in verwarring, als een kat die is onderbroken in zijn sluipjacht.' 'In de lucht hing wat de Engelsen een druipende maan noemen, volgezogen in een krans van wolken.' Je kunt je uitgebreid in haar zinnen vermeien.
Het boek wordt vanuit verschillend perspectief verteld: de pastoor bij wie Barre zijn tas met patenten achterlaat; Alva, die voor Edison staat (die met Lumière met de eer zou gaan strijken), en die beschreven wordt als een rücksichtloze patentenopkoper, en 'de Verduisteraar' wordt genoemd, een echte duivel dus; zijn vrouw die zeer onder het huwelijk met deze egoïstische figuur lijdt; en Barres zoon die op zoek gaat naar zijn vader. Door de perspectiefwisselingen blijven de personages aan de oppervlakte. Maar het gaat De Moor meer om het leggen van accenten dan om het uitdiepen van karakters.
Behalve over beeld, over vooruitgang en de angst hiervoor gaat de roman ook over roem en de keerzijde ervan. Hoe is het om de zoon te zijn van een beroemde figuur of met hem getrouwd te zijn? En hoe zwaar weegt de roem zelf? Dit thema komt, door het fragmentarische karakter van de roman en de afstandelijke vertelwijze minder uit de verf. Maar ach, dit wisten we allemaal wel. En het is een ondergeschikt thema. Verder valt er meer dan genoeg te genieten aan deze interessante, tot de verbeelding sprekende, waardevolle roman.

                                                                                                                         (december 2013)

Woody Allens nieuwste tragikomedie

Hoewel ook nu kolderieke scènes niet ontbreken is Woody Allens Blue Jasmine serieuzer dan zijn laatste films, die af en toe in meligheid ontaardden.
De – ditmaal vrouwelijke – hoofdpersoon die tot dan toe alles in het leven mee heeft, wordt getroffen door het noodlot: haar man blijkt een oplichter en ze raakt al haar bezittingen kwijt. Dat is een grote schok voor een vrouw die alleen maar geïnteresseerd is in uiterlijk en status. Haar val is diep. Allen schijnt zich te hebben laten inspireren door de economische crisis, waarin men van het ene op het andere moment alles kwijt kan raken.
Jasmine moet haar toevlucht zoeken bij haar zus die ze altijd met de nek heeft aangekeken, omdat ze als eenvoudige winkelmedewerker tot de lagere sociale klasse behoort. Maar deze zus heeft een goede inborst en neemt haar zus in huis. 'Family', tenslotte, hoewel ze beiden geadopteerd zijn. Jasmine heeft in haar leven altijd meer geluk gehad.
Vervolgens wordt Jasmine geconfronteerd met de vrienden van haar zus, die over heel andere omgangsvormen beschikken dan ze gewend was. Dit levert gênante, maar ook komische scènes op. De gezichten die Cate Blanchett trekt, spreken boekdoelen; meesterlijk hoe de weerzin zich daarop aftekent.
Ze kan het allemaal niet aan en bestrijdt haar leed met alcohol en pillen. Intussen geeft ze af op haar zus' vrienden, vooral op haar vriend Chili, die ze een loser vindt.
Het leven van Jasmine wordt van kwaad tot erger als ze een simpel baantje bij een tandarts moet accepteren. Ze houdt zichzelf overeind door een schriftelijke cursus binnenhuisarchtitectuur te volgen (waarvoor ze dan wel eerst met een computer moet leren omgaan), wat beter bij haar sociale klasse past. De vernedering wordt compleet als ze door de tandarts – een onhandige figuur met uilebril die een alter ego van Allen lijkt – fysiek wordt belaagd. Ze neemt op staande voet ontslag.
Jasmines tragiek is dat ze alleen gelukkig kan zijn in haar eigen wereld, waardoor ze is uitgestoten. Zo gaat ze haar ondergang onherroepelijk tegemoet. Of is er toch nog redding als een ambassademedewerker zich als huwelijkskandidaat aandient?
Wil Allen nu zeggen dat de upper class niet deugt en schept hij genoegen in het naar de ondergang voeren van de hoofdpersoon? En beweert hij dat de lage sociale klasse ruw, maar tenminste eerlijk is? Gelukkig niet. Ook de lagere sociale klasse maakt fouten. Die zitten ons nou eenmaal ingebakken.
Allen weet zowel sympathie te wekken voor de gevallen vrouw, als voor haar vrienden, die het allemaal ook niet kunnen helpen. Het zijn nou eenmaal totaal gescheiden werelden. Wat ze gemeen hebben is dat het allemaal kwetsbare individuen zijn die verlangen naar liefde en geluk. Typische Allen-personages dus. Het meest menselijk is de zus, in haar voortdurende streven naar harmonie; hoewel ook zij door alle gebeurtenissen gaat twijfelen aan haar geluk.
De intriges volgen elkaar soepel op en de dialogen zijn als vanouds meesterlijk. Cate Blanchett maakt de tragiek van haar hoofdpersonage invoelbaar, wat heel knap is bij een op het eerste gezicht onsympathiek personage. Ook de rijke is uiteindelijk maar een kwetsbaar mens. Jasmine is een tragische heldin in een moderne tijd.
Zoals in al zijn films prikt Allen door onoprechtheid, schijn en pretentie heen. En er is mededogen. En dat maakt Blue Jasmine tot een heel mooie film.

                                                                                                                           (november 2013)

Cynisch tijdsbeeld in dubbelgangersroman

In Gelukkige Slaven, het laatste boek van Tom Lanoye, draait alles erg om de vorm. Het uitgangspunt was een roman te schrijven over het dubbelgangersmotief. De roman heeft dan ook een citaat uit De donkere kamer van Damocles als motief, dat Lanoye voor het schrijven van Gelukkige slaven herlas. Het is dus met opzet een literair spel, met het risico dat het gekunsteld en pretentieus wordt.
Het knappe van Gelukkige slaven is dat het overtuigend boek is geworden. Aan de ene kant omdat het er dik bovenop ligt. De verwijzingen naar Hermans' boek zijn expliciet: 'de een is een jongere en toegegeven ietwat knappere versie van de ander.' Het woordje 'toegegeven' markeert een belangrijk verschil. In De donkere kamer van Damocles wil de antiheld Osewoudt (het woord 'loser' kenden we toen nog niet), op zijn held Dorbeck lijken. In Gelukkige slaven willen ze in geen geval op de ander lijken (steevast aangeduid als 'de ander', hoewel dit ook een noodzakelijke verteltruc is om de beide hoofdpersonen uit elkaar te houden: ze heten allebei Tony Hanssen).
Sterker nog, ze vinden elkáár een 'loser', terwijl ze het eigenlijk allebei zijn (Het eerste deel heet 'Neergang'). De identiteitswisseling vindt pas op het einde plaats en heeft zowel een prozaïsche oorzaak als een prozaïsch motief.
Die dubbele naamgeving is een staaltje verhaaltechnische bravoure, maar geeft het boek ook een ironische lading. In de beginregel van elk hoofdstuk wordt de Tony Hanssen bij wie het perspectief ligt door de verteller geïntroduceerd ("We vinden Tony Hanssen terug in..."), totdat ze elkaar in het tweede deel ('Vereniging') hebben ontmoet en er plotseling staat: "We vinden de twee Tony Hanssens terug aan..." Voordat ze elkaar ontmoeten, vindt er In het boek een letterlijke verweving van de verhalen plaats waarbij de ene zin over de een en de andere over de ander gaat. Dit was de enige passage die ik te gekunsteld vond. Maar desalniettemin opnieuw een bravourestukje. Door de naamsgelijkheid en de perspectiefwisseling moet je in het tweede gedeelte de aandacht er goed bijhouden. De verhalen worden inhoudelijk onmerkbaar knap met elkaar verweven.
Brandpunt van de ontwrichte levens van de Tony's is een rijke Chinees, Bo Xiang: de man wiens vrouw de ene Tony als gigolo hield en in het liefdesspel het leven liet (en als 'een gelukkig lijk' achterbleef) en degene aan wie de andere Tony zijn illegaal verkregen rinoceroshoorns wil slijten, die in China als een belangrijk afrodisiacum gelden.
De Tony's zijn zelf van liefde gespeend, terwijl ze er allebei naar hunkeren. De één verkoopt zijn liefde en is een solitaire homoseksueel, de ander heeft, op de vlucht wegens financiële malversaties, zijn vrouw en dochter moeten verlaten. Naar België willen ze geen van beiden terug, de een vanwege zijn dominante ouders en de ander vanwege de 'zuurstofloze middelmaat' van Europa, die in België nog het ergst is. Zo wordt het even nog een beetje een Verdriet van België. Noemde Claus Lanoye niet ooit zijn zoon?
Het boek is naast een vertoon van verteltechnisch meesterschap ook een roman over deze tijd. Een tijd die te ingewikkeld en onbegrijpelijk is geworden, zelfs voor de mensen die in de top meespelen. De ondergang van de personages vloeit hier logisch uit voort, of je nu een introverte (Tony 1)of een extroverte persoonlijkheid (Tony 2) bent. Steeds weer keert het lot zich tegen de twee Tony Hanssens als - inderdaad - in de romans van Hermans. Maar er is weinig ruimte voor mededogen.
Het is allemaal wel erg zwart. Lanoye lijkt zich te hebben uitgeleefd. Alle personages zijn cynisch en uit op eigenbelang. Zo duikt er een politie-inspecteur uit Zuid-Afrika op (waar de hoorns zijn geroofd), die een ex-delinquent blijkt te zijn en die alleen maar uit is op zijn 'portie uit de ruif'.
Het slot lijkt een lichtpuntje te zijn, maar door het immer ironische commentaar vermoed je dat ook die wensdroom wel niet uit zal komen. Het slotdeel 'Hoop' telt ook maar 15 bladzijden.
Gelukkige slaven is een geslaagd experiment, een bewuste overdrijving met een kern van waarheid, geschreven in een gespierde, beeldende stijl, die het boek nog eens extra optilt.

                                                                                                                      (september 2013)

Juli Zeh blaast genre toekomstroman nieuw leven in

Je zou willen dat er meer romans als Corpus delicti verschenen: romans die politieke thema's aansnijden, de voortdurende spanning tussen individu en maatschappij tot inzet van discussie maken. Misschien komt de schrijver dan ook weer in het middelpunt van de maatschappelijke discussie te staan, zoals degenen die voor meer engagement in de literatuur pleiten, graag zouden zien. Van de eigenzinnige jonge Duitse schrijfster Juli Zeh is bekend dat ze zich ook actief inzet voor de SPD.
Je zou dus kunnen denken aan schrijvers als Malraux en Sartre. Omdat Corpus delicti een toekomstroman is nog meer aan Huxley en Orwell. En natuurlijk aan Kafka. De ondertitel van het boek is 'een proces'; de hoofdpersoon wordt door een onredelijk systeem in de mangel genomen. Tegen hoofdpersoon Mia Holl, keren de feiten zich, net als tegen Josef K. in Der Prozess.
Met zulke romans in het achterhoofd als onovertroffen verwoording van de machteloosheid van het vrije individu tegenover het naamloze collectief getuigt het van lef een roman als Corpus delicti te schrijven.
Het systeem dat in dit boek beschreven wordt, heet de Methode. Het verhaal is gesitueerd ergens in de eenentwintigste eeuw. De Methode is in de plaats gekomen van de democratie en is gebaseerd op het enige principe dat iedereen met elkaar verbindt: de natuurlijke overlevingsdrang. Hieruit vloeit een politiek recht op gezondheid voort. Dit is een rechtvaardig systeem, omdat het aanknoopt bij het lichaam, waardoor immers alle mensen gelijk zijn, niet door de geest. In dit systeem is iedereen onderhevig aan meldplichten, zoals een slaapverslag, een eetverslag, bloeddrukmeting, verplichte sportkilometers. Als Mia moet overgeven, kotst ze in een kom, die ze buiten leegt, zodat de sensoren in het toilet geen verhoogde concentratie van maagzuur in afvalwater konden meten. (In Japan schijnen ze zulke toiletpotten al te hebben; handige informatie voor verzekeringsmaatschappijen).
Mia had zich overigens nooit afgezet tegen de Methode. Ze was een buitenstaander die met rust gelaten wilde worden. Hierover had ze felle discussies met haar broer Moritz die juist openlijk rebelleerde tegen het systeem. Zijn dood, hij hangt zich in zijn cel op na een veroordeling voor moord en verkrachting, is een keerpunt in het leven van Mia. Ze gelooft dat Moritz onschuldig is en voelt zich zelf schuldig over haar passieve houding.
De ideoloog van De Methode en belangrijkste tegenspeler van Mia Holl is een personage dat Heinrich Kramer heet. Een man die opvalt door zijn elegante voorkomen en vlotte manier van doen, waardoor Mia zich ook aangetrokken voelt. Iemand die tot het eind toe spelletjes speelt.
Mia komt in het beklaagdenbankje vanwege verwaarlozing van de meldplichten. Door zwaarwegende omstandigheden (de dood van haar broer) krijgt ze een milde straf. Als ze weer wordt opgepakt, nu voor 'het gebruik van toxische stoffen' (het roken van een sigaret) ontrollen zich voor haar de gebeurtenissen die steeds grotekere vormen aannemen. Ze krijgt een raadsman toegewezen, Rosentreter, in wie ze weinig fiducie heeft. Toch weet hij in het proces een groot succes te boeken die de feilbaarheid van het systeem aantoont. Dit is het tweede keerpunt in de roman: door de enorme steun die Mia hierna vanuit het land krijgt, besluit ze het gevecht met het systeem aan te gaan. Ze kan haar schuld jegens haar broer inlossen.
In flitsende dialogen, vooral tussen Mia en Kramer, maakt Zeh de problematiek duidelijk. Door haar scherpe pen, maar ook door haar kennis van juridische systemen, ze is juriste, weet ze het krankzinnige verloop van het proces overtuigend te schetsen.
Het statement dat Zeh met deze roman wil maken is duidelijk: ze wil de steeds verdergaande overheidsbemoeienis met de burger en de aantasting van diens privacy door allerlei door de techniek mogelijk gemaakte controle aan de kaak stellen. Ze schreef over dit onderwerp al een pamflet met collega-schrijver Ilja Trojanow. In dit pamflet betogen ze dat de aantasting van de vrijheid een sluipend proces is. Ook in Nederland kun je de voorbeelden optellen: het kinddossier, het EPD, de vingerafdrukken voor de paspoorten, die ook nog eens in een centrale database worden opgeslagen, de OV-chipkaart, noem maar op. En dit alles met het beroep op nobele doelen als veiligheid en gezondheid. In feite gaat het vaak om kostenbesparing. Zo willen autoleasemaatschappijen graag de gegevens van het rekeningrijden, zodat ze de automoblist op zijn gedrag kunnen controleren en corrigeren. Voor wie Corpus delicti kent, leest dit als een griezelige vooruitwijzing.
In Corpus delicti wordt de uiterste consequentie van dit soort ontwikkelingen beschreven.
Wanneer krijgen alle burgers een chip geïmplanteerd, zoals wordt beschreven, zodat wij als een zak aardappelen bij de supermarkt kunnen worden gescand?
Dit boek zou voor alle tweedekamerleden en andere belangrijke beslissers verplichte kost moeten zijn.

Verdwijnpunt in tijd en ruimte

Recensie over 'Wenst' van Allard Schröder

Kort na zijn mooie korte roman 'Amoy' verschijnt er weer een bundel verhalen van Allard Schröder, waarvan enkele ook al waren gepubliceerd in De Revisor.
De bundel bestaat uit acht verschillende verhalen die onderling met elkaar verbonden zijn, doordat ze in dezelfde plaats en tijd gesitueerd zijn. Het dorp Wenst bestaat niet, maar had kunnen bestaan, net als de plaats Angelen in de laatste roman van Thomas Rosenboom. Net als in 'Zoete mond' spelen de gebeurtenissen zich in het verleden af, in 1952 om precies te zijn. Een gesloten dorpsgemeenschap is interessant voor een schrijver: omdat mensen op elkaars lip leven reageren ze op elkaar en kun je hun psychologie duidelijk maken. Verder vind je dit soort dorpsgemeenschappen niet meer: door de individualisering is de sociale controle minder en de moderne media hebben vensters op de wereld geopend.
De personages in Wenst hebben geen benul van de buitenwereld. De enige historische gebeurtenis die op de achtergrond meezingt en die zelfs een afgelegen dorpje als Wenst bereikt heeft, is de Tweede Wereldoorlog, hoewel de verhalen zelfs daarover vaag zijn. De buitenwereld bestaat eigenlijk alleen uit de stad Groningen die voornamelijk als De Stad wordt aangeduid en die als toevluchtsoord dient voor die inwoners van Wenst, vaak de immigranten, die de benauwende dorpsgemeenschap en de bedrukkende sfeer van benevelde akkers willen ontvluchten. Hun tragiek is dat ze dit meestal niet kunnen, gevangenen blijken van hun beperkte mogelijkheden.
Prachtig beschreven is het contrast tussen het dorp waar niets gebeurt en ieder veroordeeld is tot een middelmatig leven met werk en gezin, als een voorbestemming, en de dromen die de inwoners van Wenst net als iedereen koesteren. Pijnlijk is dat de dromen van de meesten in duigen vallen – een enkeling verdwijnt, maar daar wordt nooit meer wat van gehoord, waarschijnlijk is het daarmee slecht afgelopen.
Zo volgen we acht kleine geschiedenissen die niettemin vaak over heftige gebeurtenissen gaan: moord, waanzin, oorlogstrauma. Veel gefnuikte liefde ook. Het is het idee dat in de kleinste gemeenschappen de meest verschrikkelijke dingen gebeuren waarna het leven weer hervat wordt. Veel van de gebeurtenissen blijven onder de oppervlakte of worden terloops verteld.
De suggestieve manier van vertellen maken de verhalen spannend. De verhalen intrigeren en voeren je in een klassieke opbouw naar het einde.
Een andere kwaliteit van de verhalen zijn de beschrijvingen. De verhalen ademen sfeer: je ruikt de stank van het kanaal, ademt het stof dat over de velden geblazen wordt. De personages komen stuk voor stuk tot leven. Zei Flaubert al niet dat het in literatuur vooral om de sfeer ging?
Door de plaats en de tijd (bijna een eenheid van tijd, ruimte en handeling) en de thematiek van verloren illusies zijn de verhalen nauw met elkaar verbonden. De opzet van deze verhalenbundel is daardoor volstrekt origineel. Na het laatste verhaal heb je het gevoel een roman gelezen te hebben, met de plaats Wenst, ook fictief immers, als hoofdpersoon. De verhalen vullen elkaar aan en vormen, mede door de sfeer die de schrijver weet te scheppen, een totaalbeeld van een dorpsgemeenschap. Alsof je in de bibliotheek door het archief van de plaatselijke courant bladert. Een kroniek van een jaar.
Wat wel opvalt is dat alle verhallen over het noodlot gaan. Er is nauwelijks een lichtpuntje. Alsof Schröder die het gebied natuurlijk goed kent, zegt dat het leven er volstrekt onleefbaar was. Terwijl vanuit de eenentwintigste eeuw gezien waarin niets van de wereld je meer ontgaat en waarin de persoonlijke levenssfeer wordt bedreigd, zo'n veilig afgebakend leven ook wel iets aantrekkelijks heeft. Maar dat is natuurlijk een romantisch idee van de lezer.

Meer artikelen...

  1. Een intrigerende ontmoeting