Wierook en Sahne

De kunst van het roken verstaat niemand meer. Tenminste niet zoals filmsterren en chansonnières dat in de jaren vijftig konden, op zwart-wit celluloid voor de eeuwigheid vastgelegd. De trage cameravoering versterkte natuurlijk het effect. De sigaret werd met de toppen van wijs- en middelvinger vastgehouden, waardoor deze er een soort verlengstuk van werd; de als wierook omhoog kringelende rook was de verticale onderstreping van hun geheimzinnige elegantie.
De laatste vrouw die ik zo zag roken was Christa, die ik vandaag in deze vreemde stad weer zag. Het prille groene gras van de rivieroever was op deze ongebruikelijk warme meidag al bezaaid met jongeren, die haast onontwarbaar in elkaar verstrengeld lagen. De weeë geur van Frankfurter Bratwurst had zich als een lauwe wind over de boulevard verspreid. Kille zilveren kantoortorens aan de overkant van de rivier konden niets aan de romantische sfeer afdoen die door de zonnige warmte was ontstaan.
Ze zat pal tegenover mij. Haar tafeltje stond wat verder weg, maar ik kon haar recht in haar gezicht kijken, wat ik dan ook ongegeneerd deed. Niet omdat ik een schaamteloze natuur bezit, maar omdat ik zo verbaasd en verheugd was haar weer te zien. Ze had een grote coupe ijs voor zich staan met een hoeveelheid Sahne erop als een besneeuwde alpentop. Met haar smalle postuur kon zij zich zo'n culinaire uitspatting permitteren. Ik durfde haar niet aan te spreken, omdat ik bang was dat ze me niet meer zou herkennen. Eigenlijk had ik ook aan haar aanblik genoeg, want ik had niet gehoopt haar ooit terug te zullen zien.
Christa had ondanks het warme weer een donkere shawl omgeslagen, die de kenmerkende blankheid van haar gezicht extra accentueerde, net als haar inktzwarte haar en donkere wimpers dat altijd hadden gedaan. Maar de aandacht werd als voorheen vooral getrokken door haar rood gestifte mond, als een geopende kers, waarin de filtersigaret gewichtloos balanceerde; de vingers waarmee ze rookte, leken een stilteteken te suggereren.
Zo had ze destijds ook tegenover mij in een café gezeten, toen je daar nog roken mocht, en toen ze mij schijnbaar onbewogen had verteld terug naar Duitsland te gaan en ik besefte dat ze in mijn toekomst geen rol meer zou spelen. Ik was natuurlijk enorm teleurgesteld geweest, maar had het ook als onvermijdelijk beschouwd dat dit meisje met de schoonheid van een anachronistisch fotomodel in de tijd zou verdwijnen.
Ik had nog een minuut of vijf wat gestameld, af en toe onderbroken door haar kort en zakelijk commentaar. Ik had me volledig misplaatst gevoeld. Er liggen meerdere werelden tussen haar en mij, weet ik nog goed dat ik toen dacht.
Ik glimlachte bij de herinnering en toen keek ze me onverwacht recht aan.
Bij de rivier had een meisje zich van haar aanbidder losgemaakt en liep plagerig en gillend voor hem uit. 'Nein, lass mal!'
En toen was Christa verdwenen. De laatste rook van haar smeulende sigaret loste als de dunste nevel in het onmetelijke blauw van de herinnering op.

                                                                                                         Februari 2016

                                                                                     (inzending NPO Boekenweek schrijfwedstrijd 2016)

Gewoon een zondag in januari

Op een zondagmiddag zette hij gewoontegetrouw om twaalf uur de televisie aan. Het NOS-journaal opende met het nieuws dat het in de afgelopen nacht in het hele land had gesneeuwd. Wat is daar nu voor bijzonders aan, dacht Reno. Het is gewoon winter en dan sneeuwt het soms. Het is natuurlijk vervelend wanneer er auto's in de berm terechtkomen, maar ook dat gebeurt. Dan hadden ze maar wat voorzichtiger moeten zijn.
Hij keek naar het dunne laagje sneeuw dat zich aan boomkruinen en dakpannen had vastgehecht en dat waarschijnlijk snel weggesmolten zou zijn, onschuldig als poedersuiker op een oliebol. Gezinnen genoten van het wintergevoel dat dit miezerige laagje hun gaf. Hoewel het rond nul graden moest zijn, hadden ze zich met wollen mutsen, dikke wanten en gewatteerde laarzen tegen de winter gewapend. Zo sloften ze in een sliert over de stoepen voort.
Sonny strekte zich nog eens behaaglijk uit. Hij keek wel uit om naar buiten te gaan, koesterde zich liever in de warmte van de stoffen bankbekleding en van zijn eigen vacht waarin hij helemaal opgerold lag. Vanwege zijn witte bef en zwarte vacht had Reno hem naar zijn favoriete saxofonist genoemd. Sonny Rollins. Reno keek jaloers naar het soezende dier. Toch voelde ook hij het kriebelen. Zo helder en zonnig was het al een tijd niet geweest. De stammen van de bomen lichtten in het schelle zonlicht op. Op een dag als deze leken zomer en winter samen te vallen. Een wandeling zou hem verkwikken.
Buiten zoog hij de koude lucht diep in. De lucht prikte in zijn longen, die in de donkere decemberdagen te weinig zuurstof en te veel rook hadden binnengekregen. Hij was een regelmatige wandelaar, maar door de permanente donkere deken die boven die dagen had gehangen, had hij geen zin gehad om naar buiten te gaan; liever installeerde hij zich met een glas Laphroaig en een sigaar op de bank. Beide Sonny's hadden hem hierbij gezelschap gehouden.
Alles wat aan de opwinding rond de feestdagen herinnerde - de uitbundige verlichting, de etalages met kerstaanbiedingen, de oliebollenkraam op de brug, de rottende restanten van het vuurwerk – was verdwenen. De stilte leek hierdoor nog dieper dan voorheen. De winkelstraat ging over in een saaie weg met hoge panden, die er op een dag als vandaag minder bruin en somber uitzagen, die weer uitmondde in de polder, alsof de wereld hier ineens ophield. Hij stak de drukke toegangsweg over en liep een smalle landweg op. In de verte stak een mast ver boven de rivierdijk uit.
Hij genoot van de leegte van de polder. Twee vliegtuigen snorden als lome insecten door de lucht. Het waren klassieke modellen. Ze straalden opgewektheid en onverzettelijkheid uit, alsof ze nog eeuwen door konden blijven vliegen. Dromerig gleden zijn ogen met de machines mee. Hierdoor hoorde hij de auto niet naderen die hem plotseling voorbij stoof. Zo'n wit bestelbusje met pakketpost dat je steeds vaker in het straatbeeld zag. Hun haast stond in schril contrast met de luiheid van degenen die de producten thuis op hun scherm bestelden.
Geschrokken stond hij even stil en zocht in zijn zakken naar zijn platte doosje sigaartjes dat hij altijd bij zich droeg voor onderweg. Weer even genoeg frisse lucht gehad, zei hij bij zichzelf, en stak op. Nu werd zijn aandacht getrokken door een indringend zoemen, alsof achter de dijk een reusachtige bij was losgelaten. Het deed hem denken aan iets wat hij laatst gelezen had over mensen die een mysterieus gezoem hoorden, dat werd toegeschreven aan buitenaards leven, schuivende aardschollen of grappen van gekken. Zelf hield hij het op het laatste.
Zijn ogen traanden van de wind en de rook die hierdoor in zijn gezicht werd geblazen. Hij begon weer te lopen. Door een waas zag hij in de verte een gestalte naast een fiets staan. Hij vergat hem meteen weer en concentreerde zich op het wegdek dat toch nog verraderlijk gladde plekken kende. Toen hij weer opkeek zag hij naast de figuur een fiets in de berm liggen. Er was niemand anders te zien.
De beelden van het journaal kwamen ineens bij hem op, de auto's die op hun kop in de berm lagen als machteloze torren. Er was zelfs een auto te water geraakt. Te zien was hoe een kraan het druipende wrak uit het kille, zwarte water tilde. De bestuurder had het overleefd. Eén keer hard remmen op een bevroren plas en je ging onderuit. Maar de verre gestalte riep niet om hulp. Misschien was hij verstijfd van angst en wist hij niet hoe te handelen.
Reno begon te versnellen en zag het mysterieuze tafereel snel naderbij komen. Er was nog steeds niets te zien van een andere persoon. Op een paar meter afstand zag hij dat de man een sigaret had opgestoken en afwezig naar de schapen keek die zich in het tegenoverliggende weiland als een verzameling ramptoeristen achter het hek verzameld hadden. De rookwolken dreven ongeïnteresseerd hun richting op.
Kort daarop hoorde Reno geritsel en gekraak. Langzaam verscheen de gestalte van een gezette vrouw die wijdbeens de berm op zwoegde. In beide handen klemde ze planten die ze zojuist had geplukt, waardoor ze extra moeite had om haar evenwicht te bewaren. Of misschien was het wel gras voor het konijn, dat thuis in zijn hok hongerig zat te wachten. Ze keek hem schaapachtig in zijn verbaasde ogen en stouwde toen haar buit in de fietstas die uitnodigend open lag. Vervolgens sjorde ze de fiets omhoog. De man knipte zijn peuk weg, zuchtte en zwaaide op zijn fiets. Hij was zijn vrouw meteen al een paar meter voor, die hem haastig achterna kwam.
Nu pas zag Reno dat er in de sloot geen water stond.

                                                                                                              Januari 2016

                                                                                                       

De leeuw in het bos
Voor Jeroen Brouwers

De schrijver woont al twintig jaar in het bos. Zijn huis is vanaf de weg onzichtbaar. De schrijver had behoefte zich van de buitenwereld af te sluiten. Hij was zelfs in een ander land gaan wonen; een land waar hij later meer lof zou oogsten voor zijn werk dan in zijn vaderland. Het was dus in meerdere opzichten een goede stap geweest. Hij had er behalve rust ook roem voor teruggekregen.
De schrijver had nooit zijn best gedaan om bij de literaire wereld in de gunst te komen. Integendeel zelfs. Hij publiceerde regelmatig tirades in vernietigende taal tegen ijdele of stilistisch onbeholpen collega's en recensenten, tegen het hele literaire circus. Ook als persoon kon hij knorrig zijn. Hij brulde je zo met een 'godverdomme' van de drempel; alleen helden durfden de weg naar zijn huis af te leggen.
Het huis ligt in een natuurgebied en is daar illegaal gebouwd. Dit had de schrijver volgens de advocaat van de gemeente kunnen weten. De gemeente had hem er later nog een paar keer op gewezen. Vanwege schrijvers literaire statuur liet men hem uiteindelijk steeds met rust.
Wat er veranderd is, is onduidelijk. Europese regelgeving, of een weinig belezen ambtenaar, wie zal het zeggen. Om de zaak is veel onduidelijkheid. Maar dat het tragiek is, is zo klaar als een klontje.
De schrijver is na al die jaren immers vergroeid met zijn omgeving, die zijn natuurlijke habitat vormt. De leeuw in het bos. Het bos dat als decor van zijn romans zelf literatuur is geworden; diens alter ego loopt er vaak rond. Lege flessen, resultaat van behoorlijke drankconsumptie, die hem bij het schrijven steunt en troost, bengelen als rekwisieten in de bomen.
Het huis is een waar schrijvershol, stampvol boeken en manuscripten, en biedt verder onderkomen aan een omvangrijk literair archief, ouderwets nog, met knipsels. De zielen van de grote generatie boven hem, zoals het goddelijke drietal, waren erin rond. Als de schrijver overlijdt mag het Letterkundig museum er wel een gebouw bijzetten. Er zal een architect in de arm genomen worden, die iets verzinnen zal met glas en kunststof. De bouw zal lange tijd, misschien wel jaren, gaan duren.
Dit huis zal moeten verdwijnen. De schrijver heeft te horen gekregen dat het moet worden afgebroken. Steen voor steen. Waar moet hij met z'n boeken en archief heen? Al eerder heeft hij bij een verhuizing zijn boekenkasten maar laten staan. Uit pure onmacht. Aan de heidenen ten prooi.
Het Letterkundig museum heeft al laten weten geen mogelijkheden te zien in deze tijden van culturele kaalslag. Er is al geopperd een 'crowdfunding' te houden onder de talrijke lezers. Want bij hen, dat wil zeggen de lezers van het literaire boek - nog steeds een aanzienlijke groep - is hij immer razend populair.
De schrijver heeft er tegenwoordig spijt van een belangrijke literaire prijs te hebben geweigerd. Zelfs dat schijnbeetje had nu geholpen. Met zijn laatste krachten heeft hij een nieuw boek geschreven, behalve uit musische motieven misschien ook om geld te vergaren. Hiervoor heeft hij zijn bij een beroerte verlamde schrijvershand weer tot leven weten te wekken.
God, wat zal het weer een mooi boek zijn. Het bloed zal als vanouds zijn weg hebben gevonden van zijn kloppend schrijvershart, na een omzwerving via de ziel, naar deze herleefde hand en ongemerkt zijn veranderd in de inkt die via zijn vulpen op het papier vloeit. Want echte schrijvers schrijven met een pen, heeft hij altijd gevonden. Op een computer ontstaan de woorden te gemakkelijk. Zijn zinnen zullen opnieuw grommen en ronken.
Laten we hopen dat het boek enorm goed verkoopt, opdat de schrijver in staat gesteld worde een andere schuilplaats voor hem en zijn literaire universum te vinden. Een nieuw jachtgebied.
Ondertussen is het natuurlijk een schande dat iemand na zoveel jaar uit zijn huis wordt geschopt. Het is hetzelfde als een asielzoeker eerst binnenlaten en hem na tien jaar alsnog het land uit zetten. Had niet tot schrijvers dood gewacht kunnen worden?
Nu brult de leeuw in het bos en wij brullen mee om dit onrecht. En zouden pas willen zetten naar het stadhuis van die onbeduidende gemeente om dat onbeduidende, cultureel en moreel gemankeerde ambtenaartje op andere gedachten te brengen. Goedschiks of kwaadschiks.

                                                                                                              

                                                                                                               Oktober 2014

                                                

De verschijning

Hij schreef aan een verhaal. Het vlotte niet, voor de zoveelste keer schrapte hij een regel. Zijn hoofd voelde zwaar. Zonlicht werd gebroken door de luxaflex en schitterde in zijn ogen wanneer hij, broedend op een woord of zin, zijn blik even naar het raam wendde. De atmosfeer in de kleine kamer was broeierig als op een warme julidag.
De letters staarden hem vanaf het scherm doods aan. Een kerkhof van woorden. Moedeloos bracht hij zijn handen aan zijn slapen en liet zijn hoofd erop rusten. Zo bleef hij een lange, onbestemde tijd zitten.
Hij werd uit deze sluimertoestand opgeschrikt door een ronkend geluid waar zijn bureau van mee trilde. Hij stond op en tuurde door de smalle oogleden van de luxaflex naar de smalle straat die achter zijn huis liep en die na een flauwe bocht een brede geasfalteerde verbindingsweg werd met de rest van het dorp en met de snelweg.
Een enorme witte bus vulde de straat, als een cruiseschip een kleine haven. Tot zijn verbazing waren alle passagiers uitgestapt. Of kwamen ze net aan? Maar waar kwamen ze dan vandaan? Nooit eerder had hij hier een bus gezien.
De passagiers waren van verschillende leeftijd, niet enkel bejaard, zoals je vaak ziet. Hij signaleerde zelfs een paar jonge vrouwen, vrolijk lachend en pratend, twee mannen, hand in hand, en een hele troep kinderen die elkaar met meeuwengekrijs achtervolgden.
Er werden foto's genomen alsof er een bijzondere Romeinse ruïne of een bestoft middeleeuws kerkje te zien was, in plaats van een bakstenen flatgebouw met een rij auto's ervoor, een doodgesnoeid parkje en wat rijtjeshuizen. Een wijk waar de mode de treurige franje van de conventie is. Zoals een enorme, felkleurige kunststof bloem die bij wijze van buitenversiering op de zijmuur van een hoekhuis was aangebracht . Een toerist, want dat moest het zijn, probeerde deze met eindeloos geduld binnen de omlijsting van zijn fototoestel te krijgen.

's Avonds zat hij opnieuw aan zijn verhaal. Hij had die dag nog geen alinea geschreven. Om zich moed in te drinken had hij een halve fles wijn soldaat gemaakt. Hij broedde maar op een vergelijking die de alinea zou afmaken. Zoals altijd wanneer hij schreef, bestond tijd noch ruimte.
Hij werd dus voor de tweede keer verrast door de komst van de bus, die met zijn witte kantoorlicht als een geestverschijning in de nacht oplichtte. Mensen namen afscheid en verdwenen daarna in het donker. Hij probeerde passagiers te herkennen, de jonge vrouwen, het homopaar, maar zag alleen schaduwen. Al gauw was de bus leeg.
Die nacht zag hij de bus in een droom. Hij stond weer op het parkeerterrein, maar er was ditmaal geen mens te bekennen. De chauffeur wenkte hem vriendelijk. Natuurlijk gekleed in een wit overhemd dat, vanwege een goed gevulde buik, met een uiterste krachtsinspanning door de knopen werd samengehouden. Hoewel het nacht was, droeg hij een zonnebril. Zo'n chauffeur van wie je slechte grappen en grollen mag vrezen.
Hij stapte in. Onmiddellijk daarna zweefde de bus als een vliegtuig door de nacht, op weg misschien naar een ver, paradijselijk oord. Hij leunde tegen de zachte zitting van de stoel, de ogen gesloten, en liet zich meevoeren, zoals hij zich in een vliegtuig aan de kunde van de piloot overgaf. Een val zou gewoon een plotseling einde maken aan zijn bestaan.
Maar zijn reis bereikte geen doel.

Lees verder:De verschijning

Bereikbaarheid

Het water van de rivier lag mat zilver in het ochtendlicht. De zachte schommeling van het pontje wiegde Koelewijn weer in slaap, hoewel hij op zich een ochtendmens was. Maar hij hield ervan om zich nog even over te geven aan het dommelen van de halfslaap. De overtocht was voor hem te vergelijken met zijn ochtendkoffie: verkwikkend en tegelijk een rustpunt, voordat er opnieuw een drukke dag aanbrak.
Hij dacht even aan het werk dat hem te wachten stond; gedachten die vrijwel meteen daarna - als vanzelf - door de klare hemel, de lichte wind die over het water woei en het regelmatig klotsen van het water tegen de pont werden verdreven.
De ochtendkrant, die hij net bij de veerman had gekocht, hield hij onder zijn arm geklemd. De veerman verkocht van oudsher ook groenten en aardappelen, die door een geopend autoraam werden afgerekend. Koelewijn had nooit veel woorden met hem gewisseld.
Zodra de pont met het nodige geschuur van metaal op steen op de andere oever was geland, ontwaakte hij uit zijn korte, weldadige sluimer en stapte hij met een ferme zwaai op zijn fiets. Aan het eind van de lange polderweg lag aan de horizon, klassiek met de kerktorens boven het groen, de gemeente waar hij al zijn leven lang verpleger was in verpleeghuis 'Schoonoord'.
Hij kon het pontje alleen doordeweeks en op zaterdag nemen. Zondag werd in zijn nog altijd zeer kerkelijke gemeente de zondagsrust gerespecteerd. En 's winters lag het pontje vanwege de elementen - vorst of geen vorst - stil.
Bij zondags- of avonddiensten en in de wintermaanden nam hij de klapbrug van het naburige gehucht dat op tien minuten gaans lag. Hij vond het niet erg wat langer over de reis te doen, maar miste zijn vaste rustpunten 's ochtends en in de namiddag wanneer hij het laatste pontje terugnam; aan de kortere reistijd hechtte hij niet.
De pont bestond al in de tijd van zijn grootouders. Als knecht en dienstmeid hadden ze op boerderijen in het uitgestrekte polderland gewerkt. Zij hadden nog meegemaakt hoe voor de aanleg van de Afsluitdijk de polders bij zwaar weer blank hadden gestaan en het dorp een tijd geheel van de buitenwereld was afgesloten.
Doordat de polders waren uitgeroepen tot beschermd natuurgebied, waren ze gelukkig nog steeds ruim en wijds; alleen de hagelwitte windmolens aan de horizon wezen op de moderne tijd. Natuurlijk waren er ook veel boerderijen door schaalvergroting verdwenen. Maar het land was leeg gebleven. Hij kon het nooit doorkruisen zonder zich dit met een geluksgevoel te realiseren.

Het verpleeghuis bevond zich aan de andere kant van het dorp dat aan een oude zeedijk lag. De bewoners keken uit over een door bos omzoomd heidegebied, waar Koelewijn vaak met hen wandelde. Maar dit was allengs minder geworden, sinds de oude heer Evers als directeur was afgezwaaid en door de nog jonge mevrouw Kraaijeveld afgelost. De verzakelijking van de publieke sector die, door de politiek – links en rechts – was ingeblazen, had toen al ingezet, maar was door de oude Evers zo veel mogelijk tegengehouden. Pas met Kraaijeveld had deze ontwikkeling doorgezet. Omdat zij erin geloofde.
Toen hij zijn nieuwe directeur voor het eerst zag, wist hij dat er iets zou gaan veranderen. Haar uitstraling had iets agressiefs en heersends. Haar ogenschijnlijk vlotte boodschap van dynamiek en flexibiliteit gaf zij gestalte door met regelmaat door de lange gangen te lopen, waarbij ze bijna rende. Een pas die begin noch einde leek te kennen.
Sindsdien voelde hij zich gecontroleerd. Er kwamen strakke roosters en meer administratie. Personeel werd ontslagen. Vooral jong personeel.
Koelewijn was van de generatie Evers, de oude stempel zeg maar, en lapte de nieuwe, strakke regels aan zijn laars. Zodra hij de opgefokte tred van zijn bazin hoorde, dook hij in een hoek van het gebouw en hield zich als een misdadiger schuil.

Lees verder:Bereikbaarheid

Brokstukken

De regen striemde hem weer eens in het gezicht toen hij door en door verbitterd voor de zoveelste keer terugdacht aan zijn feestelijke onthulling. Hij wist niet hoe lang geleden, want hij had geen benul meer van tijd.
Een zoon van de stad, was hij genoemd door de spreker. Beeldspraak die in zijn tijd ook al werd gebezigd als een beroemde stadsgenoot om wat voor reden dan ook werd geëerd. Ook al had dat nooit veel voorgesteld in dit provinciegat, dat de stad toen al was en zo te zien was gebleven. Het was zelfs erger dan ooit, dacht hij, het deel van het plein overziend dat hij met zijn gezichtsveld kon bestrijken; de gebouwen hadden geen enkele allure.
Behalve dan het stadhuis, het enige gebouw dat hij herkende en waar hij pal tegenover was geplaatst. Hij had zich even verheugd gevoeld toen het witte doek – het voelde als na eeuwen – van hem werd afgetrokken en hij de bekende gevel en luiken zag. Bij alle verwarring die zijn wedergeboorte bij hem had teweeggebracht.
Maar verder kon de architectuur hem niet bekoren: alles leek afgevlakt, op dezelfde hoogte, met strakke gevels van effen glas, zonder fantasie ontworpen. Moest hij de rest van zijn leven tegen dit treurige panorama aankijken? Het had zijn humeur, opgelicht door dat oude vertrouwde stadhuis, vrijwel onmiddellijk weer getemperd.
Hoe ver was hij in de tijd vooruit gekatapulteerd? Hoe ver reikte zijn roem?
Natuurlijk had hij er stiekem op gehoopt: eeuwige roem (want zo voelde het). Het was voor de erkenning dat hij dit gat was onvlucht. Op goed geluk naar Parijs getrokken, waar het geld van de aristocraten op hem lag te wachten, zolang hij hun inteeltkoppen maar naar hun tevredenheid vereeuwigde.
Zouden die schilderijen nog bestaan?
De plotselinge herinnering aan zijn Parijse jaren deed hem de regen voor even vergeten. Hij zag de straten weer verwachtingsvol aan zich verschijnen met hun imposante hoge gebouwen; de paleizen waar hij aan zijn opdrachten werkte. Want hij had geluk gehad. Was de juiste mensen tegen het lijf gelopen die hem in de juiste kringen hadden geïntroduceerd. Het had hem geen windeieren gelegd; hij had een zekere staat kunnen voeren.
Heel even drong zich een beeld aan hem op. Zou hij ook op één van die pleinen staan? Als een gespleten persoonlijkheid?
Toen de waanzin van zijn wedergeboorte een beetje was gewend, had hij – alle tijd om rustig te turen - toch meer in zijn blikveld herkend: een paar kantelen van het kasteel, natuurlijk de kerktoren, die als een loodgrijs zwaard in de slappe wolkenhemel stak, en in zijn ooghoek een flard dat hij identificeerde als een wiek van een molen.
Die hadden als een kring om de stad gestaan en waren de verzinnebeelding geweest van het leven dat in de kleine, maar bedrijvige handelsstad, had gewoed.
Niets vergeleken met Parijs natuurlijk. Hij had arrogant willen snuiven.
Ongemakkelijk en lomp in zijn brons hoopte hij maar dat zijn evenbeeld een andere indruk maakte. Er was wel een kreet van bewondering door de menigte gegaan, maar wat zegt dat als iets wordt onthuld. Dat hoort er nou eenmaal gewoon bij.
De eerste dagen had hij nog wel de aandacht getrokken van nieuwsgierigen die even bij zijn sokkel stil bleven staan. Sommigen lazen de tekst die daarop moest staan met al zijn initialen en met zijn geboorte- en sterfdatum. Hij had hier willen sterven. Had plotselinge heimwee gevoeld, die de oude dag zo eigen is. Een sterk verlangen naar de zompige polders en de donkere luchten. De gevels van zijn geboortestad die hij nu nergens meer zag.
En hier stond hij dan.
Bij zijn bewonderaars zag hij een steeds terugkerend ritueel. Stokstijf leken ze hem te willen fixeren, als een schilder zijn model, waarbij ze hem door een soort doosje dat ze voor zich hieven, leken te bekijken. De betovering werd soms door een flits gebroken. Hij had, verstard, verwonderd teruggekeken.
Maar hij had steeds minder de aandacht getrokken.

Lees verder:Brokstukken

Een gewaarschuwd mens...

Zoals elk jong meisje, droomde Hanna ervan naar Parijs te gaan. Dus toen ze hoorde dat ze daar een oudtante had wonen, had ze meteen de mogelijkheid gezien deze wens te realiseren.
Deze oudtante zou het komend weekend op bezoek komen. Hoewel ze vanwege haar hoge leeftijd niet meer reisde, had ze, nu ze aan het eind van haar leven was, de behoefte gevoeld oude familiebanden aan te halen.
Ze logeerde bij een zus in Utrecht, met wie ze altijd was blijven corresponderen. Hanna's vader had zijn tante niet meer gezien sinds ze met haar Fransman, die ze op haar twintigste in de trein naar Parijs had ontmoet, in Melun was gaan wonen. Later waren zij naar een voorstad van Parijs verhuisd, maar dat hoorde hij pas jaren later van zijn Utrechtse tante Eline.
Hanna zag zichzelf al over de avenues en pleinen dwalen. Elegant gekleed als een echte Parisienne. Ze had er spijt van op school niet voor Frans te hebben gekozen. Maar ze hield niet zo van woordjes leren. Ze wilde later iets economisch gaan doen.
De oudtante bleek niet zo krakkemikkig als zij zich in haar fantasie had voorgesteld. Hoewel ze wat krom stond, oogde ze levendig. Tot haar verrassing sprak ze Nederlands zonder een accent. Een soort Nederlands dat zij op school 'oud-Nederlands' noemde, maar waar nu toch wel een zekere bekoring van uitging.
Haar oudtante had haar vol belangstelling opgenomen, de ogen even keurend over haar lichaam laten gaan, wat Hanna even had doen huiveren. Hoewel ze haar vrijpostig vond, gaf ze geen kick en bleef beleefd glimlachen.
'Comment-allez vous, madame?' zei ze keurig. Ze had dit zinnetje van tevoren op internet opgezocht.
Tante Cornélie slaakt een verrast kreetje.
'Oh, ze spreekt Frans! En zo mooi formeel!'
Hanna geneerde zich, omdat ze blijkbaar de toon had misgeslagen.
Tante Cornélie zag haar ontstemming in kneep haar geruststellend in haar arm, waarbij ze haar ogen even bemoedigend toekneep.
Tijdens de avond waren Hanna's gedachten vaak weggedwaald, hoewel zij de oude dame wel sympathiek vond. Maar al die verhalen over verwanten die ze niet of nauwelijks kende, vaak alleen maar uit weer andere familieverhalen, konden haar aandacht niet vasthouden.
Tante Cornélie had het hoogste woord gevoerd. Het leek wel alsof ze in één avond iedereen van haar leven op de hoogte willen stellen en vertellen wie zij was, zodat wij haar als ze er niet meer was, zo goed mogelijk zouden herinneren. Ze was bezig zichzelf aan de vergetelheid te ontrukken.
Het viel Hanna op, in de momenten dat zij, door een woord of zinsnede opeens weer oplettend, dat tante Cornélie geen blad voor de mond nam.
Middenin een verhaal over een vakantie in Venetië, werd Hanna afgeleid door een piepje van haar mobiele telefoon, die ze onmiddellijk tevoorschijn haalde.
Met een paar soepele duimbewegingen bewoog zij door het menu. Ze zag dat ze een sms'je van Mark had. Alweer.
Op het laatste hockeyfeest had een haar onbekende jongen haar aandacht getrokken. Als altijd was zij getrokken door het nieuwe. De combinatie van zijn knappe donkere gelaatstrekken en gereserveerdheid hadden haar onweerstaanbaar naar hem toegetrokken. Ze had met hem geflirt en gedanst, waarbij hij onhandig voor haar gestaan had. Ongevraagd had ze hem haar nummer gegeven. Ze had het met een pen op zijn hand geschreven.
Meteen de volgende dag had hij gebeld, en toen had ze al spijt gehad, maar uit beleefdheid toch met hem afgesproken. Ze had hem wel aardig gevonden, maar ook dodelijk saai. Hij had bijna niets gezegd, haar vooral met onpeilbare blik aangekeken, waar ze doodzenuwachtig van was geworden.
Ze had daarna niet meer op zijn telefoontjes en sms'jes gereageerd.
Ze zuchtte nijdig, waarna ze het bericht wegklikte.
'Weer één van je aanbidders?' vroeg Berend plagerig.
Hanna wist weer de aandacht van iedereen op zich gevestigd.
'Ze poeiert ze allemaal af,' zei Berend triomfantelijk, de kans grijpend om zijn zus te plagen. 'Een echte femme fatale.'
'Je steekt dus wél wat op van school,'zei Hanna bits.
'Ah, l'amour,'zei tante Cornélie, 'trek je er maar niets van aan kind.'
Hanna vond haar opnieuw sympathiek, ook omdat haar toon niets bevoogdends had. Gelukkig wist ze het die avond zo te manouvreren dat ze in Parijs werd uitgenodigd. Berend trouwens ook. Maar die zou later zeggen dat hij wel uitkeek bij zo'n oude dame te gaan logeren. Hij ging liever met een paar vrienden naar Zuid-Spanje.
De hele reis met de Thalys, die stil over de Vlaamse velden suisde, was Hanna opgewonden. Ze kon zich nergens op concentreren, noch op het tijdschrift dat ze in de stationshal had gekocht, noch op haar facebookpagina op haar telefoon, zodat ze beide weglegde en alleen maar keek hoe het landschap op haar afkwam en in de verte Parijs moest naderen.

Lees verder:Een gewaarschuwd mens...

De getatoeëerde arm

Nathalie Oosterhout werkte nu een jaar als docente Frans aan scholengemeenschap De Verrekijk in één van onze kustplaatsen. In Arnhem was ze niet verder gekomen dan invalwerk; ook in het onderwijs waren de banen tegenwoordig schaars: nadat jarenlang iedereen er zijn neus voor had opgehaald, omdat men zich van de eigen schooltijd de herrie, onrust en de brutaliteit van de leerlingen – misschien wel van zichzelf – maar al te goed kon herinneren, was het leraarschap ineens aantrekkelijk, omdat het zekerheid bood, en vooral omdat het inkomen gaf.
Nathalie kende de badplaats van vroeger: als kind had ze er met haar ouders en zus een paar keer vakantie gevierd. In de tijd dat ze er niet meer geweest was, was er veel nieuw bijgebouwd. De slanke, spierwitte vuurtoren, ooit de belangrijkste blikvanger van het dorp, was door hoge hotelgebouwen overwoekerd, in de skyline gemarginaliseerd.
Toen ze in haar eerste weken over de boulevard en het strand liep, herinnerde ze zich alle gelukkige momenten die zij daar had gekend en herkende ze in de kinderen die aan de vloedlijn aan het spelen waren zichzelf. Ondanks het gevoel van eenzaamheid dat de verhuizing bij haar had opgeroepen, voelde ze zich dan, vanwege die vertrouwdheid, gelukkig.
Haar verhuizing naar de badplaats was een grote stap geweest, maar ze vond dat ze niet moest zeuren. Ze hield zichzelf voor dat ze toe was aan iets nieuws. Als student was ze thuis blijven wonen. Noodgedwongen, omdat er weinig studentenkamers beschikbaar waren. Ze had het gevoel hierdoor een belangrijke levenservaring te hebben gemist.

Toen de winter aanbrak, en ze zich niet meer met de bedrijvigheid van het toerisme op strand en boulevard kon troosten, was ze haar eenzaamheid meer gaan voelen. Op die momenten dat dit gevoel haar maag samentrok dacht ze aan haar ouders en vriendinnen en aan de paar vriendjes die ze had gehad. Haar laatste vriendje had bij een bank gewerkt. Een aardige jongen met aantrekkelijke krullen, die ze onuitstaanbaar saai was gaan vinden. Hij zat het liefst avonden voor de televisie naar films of voetbalwedstrijden te kijken, terwijl hij het ene na het andere bierflesje aan zijn mond zette. Daar mocht ze de hele avond naast zitten. Op zijn laatste verjaardagsfeestje had ze opeens het inzicht gehad dat al zijn vrienden op hem leken: vlot,welbespraakt, maar volslagen oninteressant.
Ze vond het maar niet met mannen. Ze vond ze vaak te jongensachtig of te slap. Bas, de vriend van haar zus Denise vormde daarvan het protoype: een werkloze copywriter, die het huishouden op zich had genomen en daarmee genoegen scheen te nemen. De weinige vrijgezelle mannelijke collega's die ze had, spraken met hun onatletische postuur en seksloze sjouwtassen niet tot haar verbeelding. Zij droomde van echte mannen, die van aanpakken hielden. Mannen die een arm om je heen sloegen, je om je vrouwelijke eigenschappen, zoals bevalligheid en zorgzaamheid, waardeerden.

Op een avond surfte ze naar een datingsite, die ze aanvankelijk wat huiverig bekeek. Was zij niet meer het type om iemand in het echt tegen te komen? Hoe kon zij die ander goed beoordelen en hij haar? Ze begon naar een goede foto van zichzelf te zoeken, één die haar recht deed, maar vond niets geschikts. Saaie familietafereeltjes. Geposeerde vakantiefoto's met giechelende vriendinnen. Zij met haar beste vriendin Esther op de Eiffeltoren. Samen in een deuk voor het Louvre. Ze gruwde ineens van de clichés. Pasfoto's kwamen niet in aanmerking sinds je er daar, dankzij het internationale terrorisme, met een misdadigerskop op moest staan.
Ze maakte tenslotte een paar foto's van zichzelf met haar telefoon. Ze schreef zich in op een datingsite, verzon een wervend verhaaltje - wat haar niet meeviel - en uploadde de beste foto.
Meteen nadat zij dit gedaan had, klapte ze haar notebook dicht en ontvluchtte het huis. Met kloppend hart liep ze over straat, voorbijgangers negerend, alsof ze iets onoirbaars had gedaan. De zee ruiste in de verte als een spottende getuige, spuugde haar golven vol verachting op het strand.

Al gauw stroomden er mails binnen, die ze meestal snel, ongeïnteresseerd wegklikte. Oudere mannen die met werk en andere ervaring schermden, of van die jongetjes als Bas, vol grote woorden en avontuur.
Als ze haar lessen voor de volgende dag had voorbereid en had gecorrigeerd, zette zij zichzelf ertoe een uurtje langs profielen te surfen. Het duizelde haar al gauw. Er was geen profiel of foto die er echt uitsprong. Ze werd er onzeker van. Vond zichzelf een kritische trut.
Denise kwam langs met Bas. Ze nam hem nog eens aandachtig op, hoe hij met een vriendelijke, maar afwezige blik op de bank zat, af en toe naar voren buigend om een handje nootjes uit een schaaltje te scheppen. Een ineengezakte figuur met vet haar en een inbleek gezicht dat korte nachten verried. Ze verbaasde zich er voor de zoveelste keer over dat haar zus zo'n vent had uitgekozen.
Denise vroeg of zij zich hier niet alleen voelde en ze was onder deze vraag ineengekrompen. Ze had gezegd dat ze de kinderen en de collega's had, die veel drukte en aandacht gaven en noemde het gezellige toeristenrumoer. Van de datingsite zou ze nooit iets durven zeggen.
Het probleem werd voor haar steeds urgenter.
Omdat ze op het strand allemaal mensen met honden tegenkwam en voor zichzelf haar veelvuldige aanwezigheid op het strand wilde verklaren, besloot ze een hond te nemen. Het was dan wel wat zielig dat beest overdag alleen thuis te laten, maar haar lesrooster was kort en de school dichtbij. Hij zou zijn gevangenschap langs het strand van zich af kunnen rennen.
Ze kocht een jonge, chocoladebruine labrador. Ze noemde hem Choc, afkorting van chocolat. Wie hen nu zag, die mooie jonge vrouw met die levendige jonge hond, dacht niet anders dan dat zij gelukkig was. Ze vormden een tafereel dat vitaliteit uitstraalde. 's Morgens, in de zeer vroege ochtend voor de aanvang van de lessen, en 's avonds liep ze met Choc langs de vloedlijn.
Op een middag kwam de allesveranderende mail.

Lees verder:De getatoeëerde arm

De kwestie van de siereend

Er was nog iets dat nodig geregeld moest worden.
De gemeente kreeg doorgaans veel klachten over allerlei loslopende dieren: niet alleen over zwerfkatten die 's nachts de huizen binnendrongen om niet alleen het eten van het eigen troeteldier op te eten, maar ook nog eens krassen achter te laten op het lederen meubilair, nee, ook zwermen kraaien, spreeuwen, zelfs mussen veroorzaakten veel overlast.
Aan dit rijtje had zich sinds kort een nieuw dier toegevoegd: de siereend.
Vanwaaruit ze waren opgedoken wist niemand, maar opeens liepen ze overal: door de plantsoenen en voortuinen, op fietspaden en zelfs midden op de weg, en ze trokken zich van niets of niemand wat aan.
Voor de gemeente was de maat vol. Er moest iemand voor worden aangesteld om het onwillige gevogelte in goede banen te leiden: een vogelcoördinator.
Op de advertentie die op de website en in het plaatselijke sufferdje verscheen, kwamen veel reacties: onder andere van een failliete kippenboer, een voormalig beheerder van een volière annex hertenkamp, en diverse manusjesvanalles die deze uitdaging voor dit salaris en de bijbehorende CAO, graag wilden aangaan.
De meeste kandidaten werden gewogen en te licht bevonden. De vogelcoördinator moest iemand zijn met een universitaire of hbo-achtergrond, iemand die geschoold was in het managen van processen.
Deze werd gevonden in een piepjonge academicus.
Hij had de sollicitatiecommissie wat iel geleken - hij zou toch ook af en toe een flinke sprint moeten inzetten - maar hij beschikte wel over het vereiste opleidingsniveau. En voor het bijschaven van zijn vaardigheden zouden ze hem wel op cursus sturen; dat deden ze met iedereen tegenwoordig. Misschien zou een sportschool ook niet gek zijn, opperde iemand.
De nieuwe coördinator ging voortvarend te werk.
Meteen de eerste dag stapte hij op een daarvoor verstrekte gemeentefiets om de vogelbevolking van het dorp, dat zeer veel beboming kende, in ogenschouw te nemen. Hij zocht de dichtbebladerde takken en de lucht af naar kraaien, spreeuwen en andere gevleugelden die het voorzien konden hebben op de rust en het harmonische bestaan van de burgers. Hij tuurde zo intensief naar boven dat hij een paar keer bijna het struikgewas instuurde en een botsing met een aanscheurende auto op het laatste nippertje kon voorkomen.
Het was een gevaarlijke job.
Het gevaarlijkst bleken toch de siereenden.
Ze zagen er niet gevaarlijk uit. Goedige lobbesen met een bedaarde tred, die er met hun blauw-rode tekening clownesk uitzagen. Maar ze hadden het talent plotseling uit het struikgewas op te duiken om zich met ware doodsverachting op het asfalt te begeven, alsof er nooit een technologische vooruitgang was geweest en zij nog steeds in hun aloude, primitieve habitat leefden, welke dat ook geweest kon zijn.
Deze beesten waren volstrekt asociaal.
's Anderendaags was nog een auto uit de bocht gevlogen om zo'n opduikende eend te ontwijken. Gelukkig was de bestuurder met de schrik vrijgekomen; wel was er aanzienlijke blikschade.
En de incidenten stapelden zich op.
De coördinator begreep dat hij zich eerst op de siereend moest richten. Hier was ook vanuit de raad op aangedrongen. Hij zou er zijn handen nog aan vol hebben. De rest van de gevleugelde overlastveroorzakers zou hij nog even met rust moeten laten.
Zaak was eerst het gebied van de eenden af te bakenen, net als de plantsoenen, de parken en de voortuinen.
Hij begon de eenden in kaart te brengen, stond met notitieblok en fotocamera in het gras en tussen de struiken. De eenden leken dit niet op prijs te stellen en begonnen, de hals gestrekt, agressief te snateren als hij te dichtbijkwam. Hij zag dat zelfs de honden met een grote boog om ze heen liepen.
Hij hield de eenden niet uit elkaar en ze liepen overal. Hij gaf het tellen op.
Het beste zou zijn ze te vangen en ergens op te sluiten. Te denken was aan een reusachtige volière. Maar de bouw en het beheer ervan, mocht dit idee al enthousiast ontvangen worden, zou geld kosten en dat had de gemeente vast niet. Bovendien wist hij dus niet hoeveel eenden er waren en waar ze vandaan kwamen. Voor hetzelfde geld bleven ze komen.
Hij liet langs de wegen netten spannen, wat meteen succesvol bleek: al snel zaten de eerste exemplaren erin verstrikt.Toen de Dierenbescherming hier lucht van kreeg, moest hij deze aanpak staken: de beesten mochten niet getraumatiseerd raken. Bovendien bleek het om een beschermd ras te gaan.
Een enkele burger wachtte de gemeentelijke aanpak niet af en nam het recht in eigen hand. In een sloot werd een dobberende eend aangetroffen, maar met de poten omhoog, geveld door een schot hagel.
De Dierenbescherming gaf de gemeente en de coördinator de schuld. Door de aandacht te vestigen op de eenden, waren deze als het ware vogelvrij verklaard.
Raadsleden begonnen kritische vragen te stellen. De coördinator laste een evaluatiefase in. Om geen last te krijgen met de Dierenbescherming en zo negatieve publiciteit te genereren, wat de gemeente natuurlijk absoluut niet kon hebben, mocht er geen eend meer sneuvelen.
Zo veranderde de taakopvatting van de vogelcoördinator: in plaats van de burger te beschermen tegen de overlast, werd hij de beschermheer van de eenden, iets wat zij koninklijk aanvaardden. Ze bleven voortschrijden door de tuinen, door parken en plantsoenen, over fietspaden en wegen, in volstrekte anarchie. En de coördinator hield ze angstvallig in de gaten, postte langs wegen, en liep voortdurend achter de bontgevederde feiten aan.
Het kon niet uitblijven: hij brandde volledig af.
Hij was daarom blij dat op een dag drie eenden op een doorgaande weg werden doodgereden en hij uit zijn zware, belastende functie werd ontheven.

Met de dood voor ogen

Hij fotografeerde kunst.
Een vriend van hem was nieuwsfotograaf. Hij reisde vaak door oorlogsgebieden zoals Irak en Soedan, waar honger heerste en allerlei andere mogelijke ellende en waar je soms voor je leven moest vrezen. Als hij hem sprak, had hij altijd de meest verschrikkelijke verhalen, die hij niet zonder een zekere sensatiezucht vertelde. Zijn foto's verschenen vooral in journalistiek minder hoog aangeschreven bladen, maar dat maakte hem niets uit. 'Want het verhaal moest verteld worden.'Hij hield er altijd rekening mee dat hij opeens het bericht van de dood van zijn vriend zou vernemen. Een klein krantenbericht dat zonder foto zou worden geplaatst.
Maar steeds weer ging de telefoon of kreeg hij een e-mail en stond hij binnen een paar dagen ergens in een café weer tegen zijn bruinverbrande kop aan te kijken waarin de ogen altijd opgewonden glansden.Hij hield het zelf dus op kunst, reisde steden af, meestal in Europa, een enkele keer in Amerika, en maakte vooral foto's voor catalogi en kunstboeken. Af en toe maakte hij ook foto's waarmee hij een artistieke interpretatie wilde geven van kunst, een soort meta-kunst. Dit soort foto's waren zijn diepste ambitie. Maar daarmee kon hij zijn brood niet verdienen.
Thierry, zijn avontuurlijke vriend, had hem wel eens gevraagd of hij het niet zat was, foto's te maken van stilstaande beelden, maar hij vertelde hem steeds dat hij het wel goed vond en bovendien het liefst kunstfotograaf wilde worden.Dat hij ook te bang was om zoals Thierry naar een oorlogsgebied af te reizen, verzweeg hij, hoewel hij aan de spot in diens ogen kon aflezen dat hij dit wel wist. Maar het kon hem niets schelen.Op zijn beurt vroeg hij wat voor Thierry de artistieke uitdaging was. De dramatische beelden dienden zich immers vanzelf aan, hij hoefde alleen maar af te drukken. Alleen al om de dramatiek - rouwende moeder om gedood kind, rokende puinhopen van een platgebrand dorp - werden de foto's geplaatst. Er moest snel afgedrukt worden, terwijl hij de tijd had om zich bezig te houden met lichtval en invalshoek.Thierry's foto's waren toevalstreffers, als in een impuls gemaakt. Hijzelf was een brallerige avonturier, een soort miniatuur-Lawrence of Arabia of imitatie-Livingstone. Eigenlijk mocht hij hem niet en hij vroeg zich na zo'n café-ontmoeting altijd af waarom hij hem bleef zien. Omdat ze toch vakbroeders waren, hij hem al vanaf de fotovakschool kende en omdat ze zulke verschillende kanten waren opgegaan en hij nieuwsgierig bleef naar zijn verrichtingen, dacht hij. Hetzelfde moest voor Thierry gelden.
Ze hadden elkaar onlangs weer gesproken. Beiden hadden een nieuwe reportage.Thierry vertrok naar Afghanistan, hij naar Kopenhagen. Voor een boek over de Deense Gouden Eeuw moest hij naar het Statens Museum for Konst en Den Hirschsprungske Samling.

Lees verder:Met de dood voor ogen