Brokstukken

De regen striemde hem weer eens in het gezicht toen hij door en door verbitterd voor de zoveelste keer terugdacht aan zijn feestelijke onthulling. Hij wist niet hoe lang geleden, want hij had geen benul meer van tijd.

Een zoon van de stad, was hij genoemd door de spreker. Beeldspraak die in zijn tijd ook al werd gebezigd als een beroemde stadsgenoot om wat voor reden dan ook werd geëerd. Ook al had dat nooit veel voorgesteld in dit provinciegat, dat de stad toen al was en zo te zien was gebleven. Het was zelfs erger dan ooit, dacht hij, het deel van het plein overziend dat hij met zijn gezichtsveld kon bestrijken; de gebouwen hadden geen enkele allure.

Behalve dan het stadhuis, het enige gebouw dat hij herkende en waar hij pal tegenover was geplaatst. Hij had zich even verheugd gevoeld toen het witte doek – het voelde als na eeuwen – van hem werd afgetrokken en hij de bekende gevel en luiken zag. Bij alle verwarring die zijn wedergeboorte bij hem had teweeggebracht.

Maar verder kon de architectuur hem niet bekoren: alles leek afgevlakt, op dezelfde hoogte, met strakke gevels van effen glas, zonder fantasie ontworpen. Moest hij de rest van zijn leven tegen dit treurige panorama aankijken? Het had zijn humeur, opgelicht door dat oude vertrouwde stadhuis, vrijwel onmiddellijk weer getemperd.

Hoe ver was hij in de tijd vooruit gekatapulteerd? Hoe ver reikte zijn roem? “Brokstukken” verder lezen

De witte bus

Hij schreef aan een verhaal. Het lukte hem maar niet. Hij voelde zich moe. Zonlicht werd weerkaatst door de luxaflex en schitterde in zijn ogen. De atmosfeer in de kamer was broeierig als op een warme julidag.

Hij schrok wakker uit zijn sluimerende toestand door een zwaar geluid, alsof de motor van een vrachtwagen stond te ronken. Vanuit zijn werkkamer die aan de achterzijde van het huis lag, keek hij op een doorgaande weg die de wijk met de rest van het dorp verbond.

Hij tuurde als door oogleden door de luxaflex, die protesterend klapperde, en zag hoe een enorme witte bus de smalle weg, als een cruiseschip een kleine haven, vulde. Tot zijn verbazing waren alle passagiers uitgestapt. Of kwamen ze net aan? Maar waar kwamen ze dan vandaan?

Het waren passagiers van verschillende leeftijd, niet alleen bejaard, zoals je vaak ziet. Hij zag een paar jonge vrouwen, vrolijk lachend, twee mannen die elkaar bij de hand hielden; een paar kinderen achtervolgden elkaar.

Er werden foto’s genomen alsof er interessante ruïnes stonden of een oud bestoft kerkje, in plaats van geparkeerde auto’s voor een flatgebouw, een doodgesnoeid parkje en wat rijtjeshuizen (identiek aan zijn eigen huis). Een wijk waar de mode de treurige franje van de conventie is, zoals de buitenversiering op het hoekhuis – een enorme, felgekleurde bloem. Een toerist, want dat moest het zijn, probeerde deze met eindeloos geduld binnen het frame van zijn fototoestel te krijgen.

’s Avonds zat hij weer aan zijn verhaal. Hij had die dag nog geen alinea geschreven. Hij broedde op de vergelijking die de alinea af zou maken. Zijn geest was hier geheel op gericht. Zoals altijd als hij schreef bestond tijd noch ruimte.

Hij werd dus voor de tweede keer verrast door de bus, die als een geestverschijning op de weg zijn kantoorwitte licht stond uit te stralen. “De witte bus” verder lezen

Stadsdroom

Leg meer tuinen aan in steden
op balkons en dakterrassen
ontgin de kale pleinen waar
boomgaarden en gazons in passen

laat water via kleine watervallen
in kristalheldere grachten vloeien
en de beroete en bepiste panden
met klimop en rozen begroeien

en ik zal mij op de pleinen vleien
in het gras onder lussen bloemen
en in de nauwste stegen mijn lief
onder de volste rozen kussen.

(Top 1000 Turing Gedichtenwedstrijd 2014)

Seurats pointillé

Op Seurats versuikerde doeken
bijt je de tanden niet stuk, je
proeft alleen het intense zoet

en ziet de tijd voor even verdoofd
in helder geel, blauw, groen en rood
waarin je de mens tevergeefs zoekt:

verlaten de haven van Gravelines
de kusten van Port-en-Bessin en Honfleur,
hoe nooit eenzamer een vuurtoren lijkt

hier overheerst het stille en het schone,
gefixeerd in al die honderden tonen
gehesen vlaggen van de eeuwigheid.

 

Naar: ‘Sunday at Port-en-Bessin’, George Seurat, 1888

Een historische ideeënroman

Over ‘Groundhay, tuinscène’ van Marente de Moor

Marente de Moor’s nieuwe roman ,’Groundhay, tuinscène’, speelt aan het eind van de negentiende eeuw.  Aan het begin van het boek is Valéry Barre, een uitvinder, met de trein op weg naar Parijs om een idee te patenteren, als hij plotseling voor de mogelijke gevolgen van zijn uitvinding terugschrikt en bij een slaperige provincieplaats uitstapt om spoorloos te verdwijnen.

Uitgangspunt voor het boek was de verdwijning van de maker van het eerste bewegende materiaal, Louis Le Prince, die hier dus Barre heet. Het filmpje dat geen drie tellen duurt, en ‘Groundhay, tuinscène’ heet, toont vier goedgeklede, voorname mensen, twee vrouwen en twee mannen, wandelend in een tuin. Le Prince heeft nooit krediet gekregen voor zijn uitvinding.

Eind negentiende eeuw gonst het van de ideeën. De roman staat vol advertentieteksten voor zulke al dan niet verzonnen hersenspinsels. De een nog krankzinniger dan de ander. Zoals de antifoon waarmee je geluid kunt filteren en zelfs de scherpe kantjes van het Duits afhaalt of de glutineuze memoriaal waarmee je zelf bepaalt wat je onthoudt, ‘gooi weg dat loodzware geweten’.

Het is een snel veranderende tijd, waarin belangrijke uitvindingen worden gedaan als die van elektriciteit en licht en het leven in een hogere versnelling gaat ‘Alles werd afgeraffeld. Hoe vermoeiend en armoedig was het leven geworden, terwijl het […] nog geen twee decennia terug, vriendelijk, rustig en kloppend was geweest.’ Barre observeert medereizigers die om de haverklap op hun zakhorloge kijken. De parallel met de huidige tijd dringt zich op. Ook wij klagen over hectiek, waarin alles snel snel snel moet; in de trein word je voortdurend geconfronteerd met medepassagiers die maar op hun mobiele telefoontje loeren. Het bij de tijd willen zijn is van alle tijden.

Marente de Moor noemt zichzelf geen moralistische schrijver. Waar het haar onder andere in dit boek om ging was het stellen van vragen rondom leven en het vastleggen daarvan. “Een historische ideeënroman” verder lezen