Even weg

Ga je nog weg?
deze vraag verdween
toen ik hier plaatsnam
het station nu een café

haar kap ligt als een glimlach
op krullen van metaal
de voeten loom gestrekt
naar het spoor

de bocht daarin bleef leeg
het was alsof het
in een andere eeuw
in een ander land lag

en ik op een trein wachtte
maar ik hoefde
nergens meer heen.

Drone

Opgaand in de tred
van mijn fiets
in het zalige niets

glijdt in mijn ooghoek – opeens!
een donker object
in het nog lege veld

abrupt knijp ik
mijn remmen samen
plotseling alert

denk aan de misdaadserie
die ik laatst zag
de discussie op teevee

aan onvermoede arachnofobie
je privacy met je
aan de haal

de reiger zet zich introvert
naast de sloot
niets is nog normaal.

Besneeuwde tuin

Het sneeuwt
alles wordt vlak
en meer van hetzelfde:

een kauw een wak
in de grond, spreeuwen
verdrinken in de vacht
van een struik, een duif
ziet er als een vergeten
stuk tegel uit

Alleen de roodborst
wordt mooier:
bloedroder rood
op de dunste tak
klein baken
in een witte nacht.

Vergissing

In de maag
van de machtige potvis
eerst geborgen
in de onmetelijke oceaan
trof men aan:

115 plastic bekertjes
4 plastic flessen
25 plastic zakjes
2 teenslippers
1 nylon tas
en nog wat andere zaken
in totaal 6 kg zwaar

de mens is overal
er is geen vergissing mogelijk.

Stilstand

Stilstand is het mooiste wat er is:

de machtige gestalte van een boom
in de nacht, niets verroert zich
in het heelal, je hoort alleen
de sterren

de lijnen van de daken
zijn zoals ze moeten zijn:
scherp en hard, maar ook helder
er zijn geen schaduwen

je blaast een wolkje naar
de hemel, of was het er al
je bent uitgebreid
naar het firmament

je wordt er niet jonger op
maar ook niet ouder

stilstand is achteruitgang
noch vooruitgang, maar
ademt in het moment.


	

Mos

peutert tegels los
vlijt zich ertussen

stroomt, als je het toestaat,
als kleine rivieren

over het terras
stolt in de hoeken

tot poezenvacht
bedekt herinnering.

Een helende plek

Probeer jezelf een vergeten plek te herinneren
een plek zo overwoekerd en stil omdat niemand
er ooit verblijven wil en waar ook niemand
ooit maar brood in zag, een plek die even terzijde lag

onzichtbaar achter een onzichtbare schuur
permanent in de schaduw en met bladeren bedekt
waarin dingen verdwijnen en tijd en duur
en zorg dat je zo’n plek als enige ontdekt.

 

Voorjaarskolder

Het had kouder moeten zijn
maar de vlieg vergist zich niet
al zit hij gevangen op zolder

in een vroeg vallend donker
en vliegt hij naar de zon
die hij in het spotlicht ziet

waarmee de vergissing begon
en dat zijn tragiek belicht:
zijn vroege voorjaarskolder.

Spotvogel

Volgens Natuurmonumenten
doet hij ons land weleens aan

hij zit bij Koos Dijksterhuis,
Hans Dorrestijn, bij Nico de Haan

maar mijn tuin zal die
wel weer overslaan.

Narcissus

Zijn nagels krassen
takken op het raam
leg een mus maar
uit wat glas is

hardleers vliegt hij aan
zoekt zijn houvast:
de plint waarop hij zit
het harde oppervlak

waarachter de mus
verrukt met zijn vleugels
klapt, als een kleine,
grijze Narcissus.

(inzending Turing Gedichtenwedstrijd 2017)