Een schitterend beschreven helletocht

De Amerikaanse schrijver Frederic Prokosch (1908 – 1989) kwam ik op het spoor dankzij een ‘zomertip’ op Literair Nederland van mede-recensent Eric de Rooij. Zelf had hij De Aziaten (1935) uit een minibieb geplukt. Schrijvers ontdek je vaak toevallig. Prokosch was een groot schrijver, zeg ik na lezing van maar één boek. Ik las overigens niet De Aziaten, Prokosch’ debuutroman, maar Storm en echo uit 1948.

Het verhaal is dat van een avonturenboek, een jongensboek (als ik dat nog mag zeggen, maar de protagonisten zijn bijna allemaal mannen). Hoofdpersoon Samuel, die het verhaal in de ik-persoon vertelt, sluit zich aan bij een expeditie van drie westerlingen naar de berg de Nagala in hartje Afrika. Hij hoopt daar Leonard Speght te vinden, een geheimzinnige figuur die spoorloos is verdwenen. Vanaf het begin is duidelijk dat dit gekkenwerk is: ‘Ze zullen u de keel afsnijden. Ze zullen u aan stukken scheuren,’ wordt hem gewaarschuwd.

“Een schitterend beschreven helletocht” verder lezen

Van knekelhuis tot kermistent

Een knekelhuis. Zo noemt schrijver Abdelkader Benali de studie Nederlands in zijn column in Trouw van vandaag. Je zou tegenwoordig wel gek zijn om Nederlands te gaan studeren met al die oude meuk die je dan moet lezen. De studie is volgens Benali dood. Hij legt in een adem door een verband met het eindexamen op de middelbare school, waar ook al niets van deugt: ’Wie na het eindexamen Nederlands nog goesting heeft in de studie Nederlands is voor mij een martelaar.’ De populaire toon is gezet.

Tegelijk stelt hij dat het Nederlands desondanks leeft, wat een opmerkelijke uitspraak is gezien de ontlezing, het Poldernederlands, de verengelsing en het feit dat bijna geen Nederlander meer een fatsoenlijke volzin kan produceren tot en met presentatoren en journalisten van televisieprogramma’s aan toe. Nederlanders geven geen moer om het Nederlands. Maar dit terzijde.

“Van knekelhuis tot kermistent” verder lezen

De woede van Nescio

Een schrijver waar ik regelmatig aan denk is Nescio. Dat heeft te maken met het Hollandse landschap waarover hij in zijn fictie en in zijn Natuurdagboek zo prachtig schreef. Het was hem zeer lief en hij kon zich geweldig opwinden als er weer een dierbare plek aan de vooruitgang werd opgeofferd. Om die reden was hij lid van de Bond Heemschut die zich inzet voor behoud van cultureel erfgoed en die nog steeds bestaat.

Het liefst wilde Nescio dat alles bleef zoals het was. Hij noemde zich een idealist en dat idealisme had vooral betrekking op schoonheid. Regelmatig maakte hij tochten door het land om deze schoonheid terug te vinden. In zijn Natuurdagboek schilderde hij het landschap met zijn pen, als een impressionist: ‘De zee bij Muiderberg vooraan blauw, verderop wat grauwig, zon op ‘backbay’. De eeuwig stilstaande optocht van de boomen van Naarden naar zee net te zien in de neveligheid – De zon op de stammen.’ Hij hield van de vergezichten: ‘Bij Muiden heel ruim gezicht naar Hilversum (de toren), heel ver, romantisch ver. Het tintelende brok water!’ en ‘Gezicht van de hei in de vallei ver en melancholiek en dampig. Rideau van donkere boomen, daaroverheen de bosschen van Baarn. Toren van Eemnes droevig. Geweldige wolkenlucht, vrij egaal.’

“De woede van Nescio” verder lezen

Werken aan je literaire carrière

In een column in de Volkskrant gaf literair agent Willem Bisseling verongelijkt af op ‘amateur-schrijvers’ die hem met manuscripten bestookten. Ellendelingen die veel te makkelijk dachten over literatuur, geen bal hadden gelezen en daardoor blijk gaven van minachting voor zijn nobele vak. Agenten en uitgeverijen kunnen uit de slushpile, zoals de verzameling ongevraagde manuscripten onelegant wordt aangeduid, nauwelijks iets publicabels halen. Dat ligt volgens Bisseling aan het gebrek aan kwaliteit. Daarom kun je ‘Sebes & Bisseling Literary Agency’ niets meer opsturen.

Behalve dat zijn stukje nogal klagerig overkwam – het is toch gewoon zijn werk –  riep de column direct vragen bij me op. Allereerst: waarom spreken van amateur-schrijvers alleen omdat iemand nog niet heeft gepubliceerd? Je moet toch ergens beginnen? Over minachting gesproken. Bovendien is een amateur iemand die iets uit liefhebberij beoefent en hiervan niet zijn beroep wil maken, zegt Van Dale. Maar dat laatste willen de inzenders van manuscripten juist wel en daarmee nemen ze de redacteur of literair agent zeer serieus.

“Werken aan je literaire carrière” verder lezen

Stijl is alles

Hafid Bouazza. Ik was hem eigenlijk al een beetje vergeten. Ooit was ik onder de indruk van De voeten van Abdullah (1996), Momo (1998) en bovenal van Paravion (2003). Vooral zijn stijl sprak mij aan. Stijl is alles, zei Michael Zeeman eens in Zeeman met boeken uit de tijd dat een boekenprogramma nog elitair mocht zijn. Daar was ik het roerend mee eens. We kennen bijvoorbeeld allemaal gevoelens van verliefdheid, maar alleen een goede schrijver schrijft hier overtuigend over en maakt er literatuur van. Dat deed Bouazza en zijn boeken gingen natuurlijk over nog een heleboel zaken meer.

Op een gegeven moment werd Bouazza’s productie van fictie minder en verloor ik hem uit het oog, hoewel hij zeer actief was als essayist en vertaler. Nu is de kans op een nieuwe roman verkeken. Ik haal dit in door zijn laatste boeken te lezen: Spotvogel (2009), Meriswin (2015), korte romans die veel indruk maken, en weer vanwege die prachtige, weelderige stijl. Ik weet het zeker: dit is grote literatuur.

“Stijl is alles” verder lezen

Thomas Bernhards opgewekte cynisme

De Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard, die ruim dertig jaar geleden overleed, staat weer volop in de belangstelling. Bij de kleine uitgeverijen IJzer en Vleugels verschijnen er regelmatig nieuwe vertalingen. Het gaat hierbij om proza, terwijl Bernard vooral als toneelschrijver bekend staat. Toneel lees je inderdaad niet zo gauw. Ik kende Bernhard om die reden alleen van naam. Ik wist dat hij een controversieel schrijver was, een non-conformist die voortdurend met de autoriteiten overhoop lag, een misantroop en een kluizenaar. Redenen genoeg om mij op de nieuwe uitgaven te storten en en passant ook wat oude op internet op te snorren.

Prachtig zijn de drie vroege verhalen van Op de boomgrens (1969). Vooral het openingsverhaal, Kulterer, dat Bernhards schrijverschap al in een notendop samenvat: een gevangene komt vrij, maar ziet enorm op tegen de vrijlating, omdat hij zich in de gevangenis tot schrijver heeft ontwikkeld. Hij is bang in vrijheid zijn literaire inspiratie te verliezen. De gevangenis is niet voor niets gesitueerd in een voormalig klooster. De schrijver staat buiten de maatschappij en komt alleen daar tot wasdom.

“Thomas Bernhards opgewekte cynisme” verder lezen

Verbeelde macht

De macht van de natuur doet zich in onze contreien zelden voelen: een enkel najaarsstormpje dat steevast wordt overdreven en van angstaanjagende codes voorzien, een paar kades die eens in de zoveel tijd door gestegen rivierpeil onderlopen. En natuurlijk de aardbevingen in Groningen, maar die zijn in verband te brengen met machtig menselijk handelen.

Bloedeloze parken gaan door voor natuur. De meeste bossen zijn aangelegd. De zee en de polders zijn onder controle door dijken en sluizen, waar we ongelooflijk trots op zijn: Nederlanders als de bedwingers van de elementen. Natuur zien we voornamelijk als mogelijkheid tot recreatie, wat we in deze coronatijd bovenmatig hebben gezien. Van enig ontzag is daarbij geen sprake: zij wordt schaamteloos gebruikt en vervuild. De consumentenmentaliteit wordt tot het uiterste doorgedreven. Machtig is de natuur wel in de Provence waar de korte roman Heuvel (Colline) van Jean Giono speelt, een boek uit 1929.

“Verbeelde macht” verder lezen

Het woke-spook

Er waart een spook door de letteren: het woke-spook. De trend schrijvers te toetsen aan hun politieke correctheid, ook als ze al zijn overleden. Als schrijver sta je algauw op iemands tenen. Wanneer men zich door hem (meestal) of haar tekortgedaan voelt is het internet te klein. Op sociale media wordt door politiek-correcte figuren net zo hard geschreeuwd als door xenofobe rechts-extremisten.

Het woke-spook duikt ook op in het officiële circuit. Zo gebruiken buitenlandse uitgeverijen zogenaamde sensitivityreaders, die manuscripten uitpluizen op eventuele racistische, seksistische of andere genderonvriendelijke elementen. Met de vertaling van Amanda Gormans The Hill We Climb heeft de sensitivityreader ook in Nederland zijn intrede gedaan: die was namelijk een eis van haar Amerikaanse uitgever. Moeten wij ons zorgen maken?

“Het woke-spook” verder lezen

De magie van Rodenko

Poëzie heeft met de tijdgeest te maken, en ook weer niet. Steeds staan er nieuwe generaties dichters op die zich van de vorige willen onderscheiden. Op zich niet opmerkelijk: zo gaat het in het hele leven. Slechts enkelen van die nieuwe literaire generatie ontstijgen de tijdgeest en worden tijdloos: zij hebben hun persoonlijke stempel op de kunst weten te drukken. In het begin trekt vooral de algemene beweging de aandacht, als uiting van de tijdgeest; allengs wordt de universele waarde van de individuele kunstenaar zichtbaar.

Een dichter die goed paste in zijn tijd en deze tegelijk ontsteeg was Paul Rodenko (1920 – 1976). Zijn poëzieopvatting sloot aan bij die van de Vijftigers, jonge dichters die zich afzetten tegen de traditionele verskunst, met name die van de Tachtigers. Poëzie moest volgens hen experimenteel zijn, uitgaande van de zintuiglijke ervaring (‘experimenteel’ is gebaseerd op het Franse ‘expérience’), van de materie, en niet van een vooropgezet levensgevoel (zoals de romantiek of het humanisme).

“De magie van Rodenko” verder lezen