Lafbekken en grote bekken

Een aantal gemeentes wil het aan ‘de straat’ overlaten of er een vuurwerkvrije zone komt. Dit experiment was namelijk vorig jaar in een aantal wijken in Den Haag, op een enkel rotje na, een groot succes.

Maar door het aan de burgers over te laten ontlopen deze gemeentes hun verantwoordelijkheid. Zelf hebben ze het over ‘de kracht’ van de burger, zoals de Haagse burgemeester. Een aantal jaren geleden werd immers de term ‘participatiemaatschappij’ uitgevonden, die drastische bezuinigingen op sociale voorzieningen moest verhullen. Sindsdien kijken we weer om naar nooddruftige familieleden, ontspoorde jongeren en ontredderde buren, hoewel inmiddels is gebleken dat dit niet werkt.

Daarbij heb ik me er altijd over verbaasd dat politici het over ‘de wijk’ en ‘de straat’ hebben, omdat die volgens mij niet bestaan of niet meer bestaan, zoals de Haagse Schilderswijk. Daarbij wordt ‘de wijk’ ook nog eens als synoniem van ‘het gewone volk’ gebruikt, terwijl de achtergronden van mensen enorm verschillen. Het is een frase van politici die ver afstaan van de realiteit. “Lafbekken en grote bekken” verder lezen

Vergissing

In de maag
van de machtige potvis
eerst geborgen
in de onmetelijke oceaan
trof men aan:

115 plastic bekertjes
4 plastic flessen
25 plastic zakjes
2 teenslippers
1 nylon tas
en nog wat andere zaken
in totaal 6 kg zwaar

de mens is overal
er is geen vergissing mogelijk.

Hebben is niet altijd ‘houwe’

De discussie over roofkunst is zo oud als de weg naar Rome, maar lijkt, nu Frankrijk bereid is kunstobjecten terug te geven, urgenter dan ooit tevoren.

In Buitenhof zag je aan het zure gezicht van de directeur van het Allard Pierson Museum dat hij helemaal geen zin had om kunst terug te geven, maar als beschaafd mens de discussie wel op een redelijke manier moest voeren. Intussen draaide hij om de hete brij heen.

Als heel jonge museumbezoeker vroeg ik me al af hoe die mummies en maskers in het Rijksmuseum van Oudheden verzeild waren geraakt. Ze stonden immers mijlenver af van de potscherven en pijlpunten die uit de polders opgedolven waren. De Romeinen zijn hier geweest, maar de Egyptenaren? “Hebben is niet altijd ‘houwe’” verder lezen

Montere Weltschmerz

Recensie van ‘Nachtboot’ van Maria Barnas

De nachtboot is ‘de eenzame zwarte boot’ waarop de ‘ik’ uit Marsmans gedicht ‘De overtocht’ vaart ‘in het holst van de nacht/door een duisternis, woest en groot/den dood, den dood tegemoet’. De ‘ik’ is door wanhoop bevangen en door onzekerheid, want wat als ‘de dood het einde niet is’.

De eerste drie regels van dit gedicht vormen het motto van de nieuwe bundel van Maria Barnas. Hoewel de dood, het verstrijken van de tijd en de onzekerheid hierover door de bundel heen terugkeren is ‘Nachtboot’ geen sombere bundel. Het gaat in de gedichten vooral over de onzekerheid of je de werkelijkheid kunt kennen en de pogingen hier vat op te krijgen.

De gedichten zijn daarom heel onderzoekend van toon. In het vierdelige titelgedicht wordt Marsmans gedicht vanuit verschillende perspectieven bekeken. Van buitenaf: ‘Ik zag een schip dat het diepste zwart/vervoert waarin iets opflakkert/als een gezicht in een herinnering’. Of zelfs nog afstandelijker door naar het gedicht zelf te kijken: ’Ik beweeg me tussen een boot en hoe die is beschreven’ waarbij het wel heel intellectueel wordt. Of van binnenuit: ‘Er hapert een boot die mij op volle zee naar huis moet brengen’, waarin ze Marsman benadert. Toch domineert in de gedichten de ratio en is er zelfs sprake van relativerende humor door bijvoorbeeld te verwijzen naar Michael J. Fox in de SF-film Back to the future die eruit ziet ‘alsof hij ook altijd te laat is’. Barnas waakt er duidelijk voor ‘te zwaar’ te worden. Bij haar geen wanhoop. Meer een soort montere Weltschmerz: ‘ik zal met de nachtboot gaan en wakker zijn’. “Montere Weltschmerz” verder lezen

Helden in brons

Hoe verlicht de maatschappij ook raakt, steeds opnieuw voelen mensen de behoefte aan monumenten en standbeelden, die de openbare ruimte vullen en ons ongewild confronteren met slachtoffers van oorlogen en rampen of helden uit het verleden.

Een heleboel van die helden zijn inmiddels in de vergetelheid geraakt, omdat, ondanks die beelden, de tijd steeds verder wegraakt, bepaalde schrijvers en dichters niet meer worden gelezen. Die beelden zijn eigenlijk het best te pruimen, als iets esthetisch op zich, zij het door de duiven onder gescheten. Ze zijn het gezag dat ze moesten afdwingen allang kwijt. En dat is maar goed ook. Het waren ook maar mensen. Er zit bovendien menig staatsman of militair tussen die – in de koloniën bijvoorbeeld – vuile handen heeft gemaakt. Verworden tot straatmeubilair.

Alle reden dus om een streep te zetten onder dat eeuwige vereeuwigen in staal, marmer of brons. Maar dat gebeurt niet, zie de merkwaardige discussie die op dit moment in Dordrecht plaatsvindt. Daar wil de Prins Willem de Eerste Herinneringsstichting (die bestaat!) een standbeeld van Willem van Oranje laten zetten. In brons. Waarom? Niemand die meer geëerd is dan onze aartsvader. Bij al het historisch onbenul overbekend. Wilhelmus van Nassouwe, ben ik van Duitschen bloed. “Helden in brons” verder lezen

Stilstand

Stilstand is het mooiste wat er is:

de machtige gestalte van een boom
in de nacht, niets verroert zich
in het heelal, je hoort alleen
de sterren

de lijnen van de daken
zijn zoals ze moeten zijn:
scherp en hard, maar ook helder
er zijn geen schaduwen

je blaast een wolkje naar
de hemel, of was het er al
je bent uitgebreid
naar het firmament

je wordt er niet jonger op
maar ook niet ouder

stilstand is achteruitgang
noch vooruitgang, maar
ademt in het moment.


	

De hijgerige sportlobby (oproep tot nieuwe lobby’s deel II)

De discussie over de keuze voor winter- of zomertijd is alweer in de kiem gesmoord: te lastig, volgens de Europese ministers van transport (die hier blijkbaar een kernrol in vervullen). Ik begrijp eerlijk gezegd niet waarom hier discussie over is: wie wil er nou dat het hartje winter pas om kwart voor tien licht wordt? Je leidt dan al zo’n mollenbestaan. Mijn ogen gaan pas na kerst weer een beetje open. Overigens moet in onze geautomatiseerde tijd (!) de overgang van winter- naar zomertijd en andersom helemaal niet lastig zijn. De brexit zorgt straks voor grotere problemen. Geen aandacht meer aan besteden dus. Maar de hele kwestie gaat in 2021 opnieuw spelen.

Opvallend was de waarschuwing van de sportlobby. Dat zijn natuurlijk types die altijd vooraan willen staan. Opvallend was ook de aandacht die ze er meteen voor kreeg, ergens voor in het NOS-journaal. Sport is belangrijk, nietwaar?

In beeld kwam de dramatische tronie van de directeur van het NOC-NSF, Gerard Dielessen, die het onwetende volk er graag op wilde wijzen dat invoering van de wintertijd ten koste zou gaan van de sport: we hebben dan ‘s avonds een uur minder om te sporten. Het was duidelijk: ons zou weer iets worden afgepakt. “De hijgerige sportlobby (oproep tot nieuwe lobby’s deel II)” verder lezen

I Amsterdamned

Een stad heeft tegenwoordig, zoals elk ‘product’, een slogan nodig. Zelfs beroemde, oude steden als Amsterdam die zo vaak op schrift en in liederen bezongen zijn. De massieve lompe letters die in 2004 voor het statige Rijksmuseum werden geplaatst, waren bedoeld om meer bezoekers te trekken. Nou dat is gelukt. Ze fungeren dagelijks als klimrek voor duizenden, vaak jonge toeristen, die zich er in allerlei ludieke standjes op laten fotograferen. ‘I Amsterdam’ is net zo’n een attractie geworden als de Nachtwacht, het Van Gogh Museum, de hoerenbuurt en de coffeeshops. De nieuwe machtigste partij van Amsterdam, GroenLinks, wil er vanaf.

De kreet waarmee het reclamebureau destijds aankwam was door zijn simpelheid al even verbijsterend als de wens van het gemeentebestuur. Was daar al die expertise voor nodig? Was hier nou zoveel geld voor betaald? Een ‘I’ ervoor en de eerste twee letters gewoon rood kalken? Had dit niet ook door een of andere stagiair verzonnen kunnen worden? Hoe dan ook, het bleek een briljante vondst. Genialiteit schuilt immers vaak in de eenvoud.

Amsterdam werd met die ‘I’ ervoor ineens Engels, en dat sprak met het oog op de verlangde toeristische hordes de politici wel aan. Bovendien kon zo’n korte kreet heerlijk op T-shirts en tasjes. “I Amsterdamned” verder lezen

Mos

peutert tegels los
vlijt zich ertussen

stroomt, als je het toestaat,
als kleine rivieren

over het terras
stolt in de hoeken

tot poezenvacht
bedekt herinnering.

Biografiewoede

Er is sprake van een ware kanonnade aan biografieën. Na Wolkers, Van Lennep, Büch, Lucebert, nu weer Campert, Wilmink, Kellendonk, Diet Kramer, F. Harmsen van Beek. Ook verschijnt er een nieuwe editie van Hazeu’s Slauerhoff-biografie.

Blijkbaar is er behoefte aan. Want biografieën verkopen goed. Als vorm van geschiedschrijving – geschiedenis is in tijden van nepnieuws een populair genre – maar ook vanwege een toegenomen behoefte aan persoonlijke verhalen (denk aan de niet aflatende stroom autobiografische boeken), waar de biografie natuurlijk onder te scharen valt. Mensen zijn nieuwsgieriger naar andermans sores. Dankzij sociale media is dit normaler geworden.

Er is bovendien een overschot aan academici; een biografie schrijven geeft deze een bestemming. Probeer als letterkundige maar eens aan een normale betaalde baan te komen. Daarbij is een biografie schrijven chic. De allure van de schrijver straalt op jou af. Sommige biografen gedragen zich alsof ze zelf de kunstenaar zijn, tooien zich met mondaine hoed en zwierige shawl, terwijl het – plat gezegd – eigenlijk gewoon literaire parasieten zijn.

Wat gaan die persoonlijke geschiedenissen ons eigenlijk aan? “Biografiewoede” verder lezen