Bloems doem

‘Laat die vlam altijd mijn hart verteren,/Door wier brand ik droefste dagen dùld;/Laat mij hijgen in een fel begeren/Zó verlangend en zó onvervuld.’ J.C. Bloem

Als je aan klassieke Nederlandse poëzie denkt, denk je algauw aan J.C. Bloem en dan vooral aan titels als ‘De Dapperstraat’ of ‘November’. Elke november komt het laatste gedicht op sociale media langs. Alle andere gedichten van Bloem waren ook geschikt geweest, want Bloem is een echte herfstdichter. Als jonge student Nederlands werd ik door mijn hoogleraar Redbad Fokkema – tevens poëziecriticus en dichter – voor zijn somberheid gewaarschuwd: Bloem, daar moest je mee oppassen, dat was zware kost. Zelf hield hij er zichtbaar van.
Ik vond Bloems gedichten meteen prachtig: muzikaal en verstaanbaar, en allemaal gingen ze over waar het volgens mij bij poëzie om moet gaan: de verklanking van levensraadsels, het oproepen van een magische werkelijkheid waarachter diepe waarheden schuilgaan. Dat gold ook voor het werk van tijdgenoten als Nijhoff, Slauerhoff en Marsman. Bloems voorbeelden waren de iets oudere Leopold en Verwey.

Lees verder “Bloems doem”

Gedachte

Het lege land
wat is beweging?
het razen van de bladeren
de onzichtbare hand door het gras
de lichtkringen op het donkere water
de luchten die van oost naar west worden geblazen
de paarden met de kolder in de kop die blind draven
de gedachte die in die rusteloze rust moeiteloos kan dwalen
aan zichzelf genoeg.

Bekende ingrediënten, eigen soep

Waar haal je als schrijver je inspiratie vandaan? Hoe creëer je nog iets nieuws? Hoe verras je de ervaren lezer voor wie ingrediënten algauw bekend voorkomen? Dat waren vragen die bij me opkwamen bij het lezen van Niets dat hier hemelt, de laatste roman van Tomas Lieske.
Een geïsoleerd leefgebied, in dit geval een mistig veendorp. Indringers die deze veilige wereld verstoren. Een oud huis in een bos. De genadeloze wreedheid van kinderen. Het voorlijke meisje dat zowel ergert als prikkelt. Het nazisme (het verhaal speelt in de jaren dertig), de zogenaamde vooruitgang, rijk versus arm. Het komt er allemaal in voor. Het zijn onderwerpen die we al zo vaak in romans zijn tegengekomen. Ze leveren geheid sfeer en spanning op. Is dit gebrek aan originaliteit? Effectbejag?

Eigen schepping
Een centrale rol in de roman speelt een veenlijk dat door een paar kinderen wordt uitgegraven: een ruiter te paard die in hun actie en in de tijd zijn bevroren. De hand van de ruiter ‘stak naar voren in een late poging het paard te strelen, moed in te spreken, te leiden tot het uit het moeras kon stappen.’ Ik moest onmiddellijk denken aan de slotscène van Michel Tourniers De elzenkoning, als de hoofdpersoon en zijn paard omkomen in een moeras. Lieske moet dit boek kennen, denk ik dan.
Is dat erg? Nee, zolang de schrijver er maar een eigen schepping van maakt. Het gaat om het totaal, de soep zeg maar die hij van al die ingrediënten bereidt. Schrijvers putten uit dezelfde werkelijkheid, uit een bepaalde intellectuele traditie, maar ieder roert deze  op geheel eigen wijze om. Originaliteit is een rekbaar begrip. Pogingen met iets totaal nieuws te komen zijn tot mislukken gedoemd. Je zou algauw in een kramp schieten en geen pen meer aanraken.

Lees verder “Bekende ingrediënten, eigen soep”

De Robinson Crusoe van Michel Tournier

Iedereen herinnert zich waarschijnlijk uit zijn jeugd het verhaal van Robinson Crusoe. Het gelijknamige boek van Daniel Defoe uit 1719 is een van de meest invloedrijke romans uit de literatuurgeschiedenis: er zijn door de eeuwen heen talloze versies van verschenen. Volgens de Franse schrijver Michel Tournier (1924 – 2016) huist in ieder van ons een Robinson die gebaseerd is op een idee die uiteindelijk niets met de roman te maken heeft: het verlangen naar een onbewoond eiland met goudgele stranden en wuivende palmen. Crusoe werd van romanpersonage een mythologische held. Het boek werd een genre: de robinsonade. Tournier, die zich graag op oude verhalen en mythen baseerde, kwam met zijn eigen versie: het fascinerende Vrijdag of het andere eiland (1967).

Prentenboek
Als kind had ik van Robinson Crusoe een prachtig prentenboek, waarin gedetailleerd ingegaan werd op alles wat de stoere schipbreukeling hielp om in leven te blijven: van allerlei tot de verbeelding sprekend gereedschap tot de verschillende knopen die hij kon leggen en het vlot dat hij bouwde – als jeugdboek was het natuurlijk deels educatief. Ik weet nog dat het een enorme troost gaf dat zelfs als je de eenzaamste mens op aarde was, teruggeworpen op een onbewoond eiland, je toch nog ergens houvast aan kon hebben en overleven, hoewel Crusoe natuurlijk de mazzel had dat hij van alles uit het scheepswrak kon halen.

Lees verder “De Robinson Crusoe van Michel Tournier”

Vrijheid blijheid

Voor wat rust en ontspannen gesprekken met een oude vriend toog meneer B. onlangs naar de Utrechtse Heuvelrug. Ze hadden afgesproken in het mooie Doorn, een rustiek en statig plaatsje dat vermaard was om het kasteel van de Duitse keizer die hier na de Eerste Wereldoorlog zijn toevlucht zocht en er ruim twintig jaar woonde. Minder bekend was dat het de woonplaats van een van onze grootste schrijvers was.
Dankzij de klimaatverandering was het voor eind september zeer warm en de terrassen zaten vroeg in de middag al tjokvol. Een ideale middag om wat bij te praten. Blijmoedig bestelden de heer B. en zijn oude vriend hun eerste cappuccino.
Algauw werd hun conversatie overstemd door zwaar gebrul. Enkele duistere, in zwart leer gehulde motorrijders passeerden het terras, hierbij nog even extra gas gevend.

Lees verder “Vrijheid blijheid”

Loodzware tradities

Onlangs verscheen een vertaling van Full of Life van de Amerikaanse schrijver John Fante, een roman uit 1952. Net als zijn andere boeken is Het volle leven sterk autobiografisch: de hoofdpersoon stamt af van Italiaanse immigranten, is scenarioschrijver en woonachtig in Los Angeles. De romans zijn variaties op dezelfde thema’s: armoede en maatschappelijk succes, het buitenstaanderschap van de immigrant, de generatiekloof, een autoritaire vader, het katholicisme. Fante treedt hier zelfs onder eigen naam op, terwijl hij eerder schuilging onder het pseudoniem Arturo Bandini. In het voorwoord lezen we dat zijn uitgever hierop stond: non-fictie verkoopt beter. Toch hebben we hier te maken met een roman, met fictie.

Ballon
De problemen waarmee de hoofdpersoon te kampen heeft zijn tweeledig. Allereerst de transformatie die zijn vrouw ondergaat als zij zwanger is. Niet alleen fysiek door ‘de ballon’ onder haar jurk, waardoor ze –  vinden ze beiden – haar aantrekkelijkheid als vrouw kwijt is, maar ook geestelijk, wat veel ingrijpender is. Zij gedraagt zich steeds afstandelijker en wordt een compleet andere vrouw. Dit culmineert in haar voornemen zich te bekeren tot het katholieke geloof. Tot Fantes schrik wil ze zelfs opnieuw trouwen voor de kerk. Hiervoor moet hij absolutie vragen. Maar waarom zou hij? Hij heeft helemaal nergens spijt van. Je voelt dat alles gierend misgaat.

Lees verder “Loodzware tradities”

Meneer B. koopt een pistool

Meneer B. was een groot kattenliefhebber, hij hield zijn leven lang al katten. Als er een kat overleed nam hij een nieuwe. Niet uit bezitsdrang, maar omdat hij niet zonder kon. Hij koos altijd een oudere, kansloze kat uit het asiel die hij een mooie oude dag kon geven. Zijn huidige poes had gedragsproblemen gehad – geen wonder wanneer je een beest opsluit – maar was bij hem geheel tot rust gekomen. Ze had weinig ruimte nodig en nam genoegen met de kleine voor- en achtertuin waar ze als een sfinx voor zich uit lag te kijken.
Totdat de buren ineens katten namen. Kittens. Voor elk kind één. Hoewel ieder natuurlijk vrij was een kat te nemen – dat deed hij zelf ook – vond hij het jammer. Hij was bang voor de rust van zijn oude, nerveuze poes. Zijn vrees kwam uit: al snel wriemelden de kittens schaamteloos door zijn tuin en zijn kat durfde niet meer naar buiten.

Lees verder “Meneer B. koopt een pistool”

Meteen een schoft

Deugen of niet deugen, daar gaat het in deze tijd vaak over. Ook als het over kunst en literatuur gaat. Klassiekers worden onder de loep genomen en gezuiverd van ‘ondeugdelijk taalgebruik’. Geëngageerde romans worden omarmd, omdat die de wereld zouden verbeteren. Kunst en literatuur zouden hoe dan ook een beter mens van je maken. De grote schrijver Philip Roth schreef daarentegen dat je de mens juist moest beschrijven zoals hij is, met al zijn fouten en gebreken. Anders heeft schrijven geen zin. Hij had gelijk.

Migratie
Beschrijven doet Marente de Moor ook in haar laatste boek De schoft. De titel slaat op de hoofdpersoon van het boek, Tom Wilenski, een journalist die meevaart op een vluchtelingenschip om er een reportage over te schrijven. Eerder heeft hij zich kritisch uitgelaten over migratie, maar omdat hij een pseudoniem gebruikt, is de bemanning daarvan niet op de hoogte. Deze bestaat, op één na, uit (jonge) vrouwen, waaronder een tweeling, die non-binair blijkt te zijn. Als de inhoud van zijn telefoon, die Wilenski had uitgeleend aan een bemanningslid om op te laden, bekend wordt en daarmee zijn identiteit, is hij meteen een schoft.

Lees verder “Meteen een schoft”

Kleine krabbelaars

Geen auteur die de afgelopen tijd zo de lucht in is gestoken als Anjet Daanje. NRC-criticus Thomas de Veen had Het lied van ooievaar en dromedaris wel zes van die ordinaire ‘ballen’ willen toekennen en vond het boek ‘wijzer’ (Huh?) dan De ontdekking van de hemel. Kees ’t Hart van De Groene meende dat het boek met kop en schouders boven de rest uitstak en dat Daanje zich kon meten met klassieke schrijvers als Nabokov en Flaubert. Volgens Volkskrant-recensente Wilma de Rek was Daanjes boek ‘zo geweldig goed dat het alle schrijvers in de omgeving ervan laat verbleken tot kleine krabbelaars’. Na al die superlatieven keek niemand ervan op dat Daanje zowel de Boekenbon Literatuurprijs als de Libris Literatuurprijs won. Om deze literaire reuzin kon geen jury heen. Gelukkig bleef de schrijfster haar bescheiden zelf.

Ondanks alle loftuitingen en prijzen heb ik weinig zin om het boek te lezen, behalve dan om te toetsen of deze terecht zijn. Maar daar ga ik geen zevenendertig euro aan uitgeven (waarom is er nog geen goedkope editie?). De fragmenten die ik her en der las getuigden niet bepaald van stilistische brille, zoiets zie je snel. Een complexe structuur (elf novellen en evenveel perspectieven) levert niet meteen een beter boek op. En wordt dit boek misschien gehypet omdat het door een vrouw geschreven is en over vrouwen gaat? Er valt tenslotte nog een hoop in te halen.
Ik besloot twee van de bij voorbaat kansloze Libris-genomineerden te lezen die mij op voorhand wél aanspraken.

Lees verder “Kleine krabbelaars”