Biografiewoede

Er is sprake van een ware kanonnade aan biografieën. Na Wolkers, Van Lennep, Büch, Lucebert, nu weer Campert, Wilmink, Kellendonk, Diet Kramer, Fritzi Harmsen van Beek. Ook verschijnt er een nieuwe editie van Hazeu’s Slauerhoff-biografie.

Blijkbaar is er behoefte aan. Want biografieën verkopen goed. Als vorm van geschiedschrijving – geschiedenis is in tijden van nepnieuws een populair genre – maar ook vanwege een toegenomen behoefte aan persoonlijke verhalen (denk aan de niet aflatende stroom autobiografische boeken), waar de biografie natuurlijk onder te scharen valt. Mensen zijn nieuwsgieriger naar andermans sores. Dankzij sociale media is dit normaler geworden.

Er is bovendien een overschot aan academici; een biografie schrijven geeft deze een bestemming. Probeer als letterkundige maar eens aan een normale betaalde baan te komen. Daarbij is een biografie schrijven chic. De allure van de schrijver straalt op jou af. Sommige biografen gedragen zich alsof ze zelf de kunstenaar zijn, tooien zich met mondaine hoed en zwierige shawl, terwijl het – plat gezegd – eigenlijk gewoon literaire parasieten zijn.

Wat gaan die persoonlijke geschiedenissen ons eigenlijk aan? Steeds dringt de vraag zich op, of de schrijver dit wel had gewild. Van Hermans is bijvoorbeeld bekend van niet; die had een gezonde aversie tegen biografieën. Hella Haasse schafte vlak voor haar dood een papierversnipperaar aan om de feitenhaaien voor te zijn. Het is heel begrijpelijk: het gaat om het literaire werk en niet of den auteur elke dag een eitje at of een despoot voor zijn naasten was.

Een biografie is interessant als verklaring van het werk vanuit de persoonlijke context (en niet andersom). Maar je vraagt je soms af of het de lezers hierom te doen is en niet eerder om het wilde seksleven van Wolkers, de antidepressiva van Vestdijk of de overmatige drankconsumptie van Campert. Om spanning en sensatie dus. Lucebert was fout in de oorlog. Wolkers nam stiekem gesprekken op. Van Lennep was overspelig. Dit wordt er in de recensies ook uitgelicht, wat natuurlijk aan de pers ligt. De biograaf was gewoon volledig. Maar het geeft toch een vieze bijsmaak, hoewel niets menselijks een schrijver vreemd is.

Het is daarbij frappant dat het primaire werk van de uitgeplozen auteurs nauwelijks meer wordt gelezen. Fictie verkoopt voor geen meter, zelfs niet antiquarisch. Romans worden – helaas –  zelden meer herdrukt. Geen uitgever die zijn nek uitsteekt. Liever concentreert hij zich op de enkele hype of dus op een lekker smeuïge biografie.

Ik bezit trouwens ook een plank biografieën. Ik heb ze slecht gelezen, vaak meer een beetje doorgebladerd. Ik kocht ze alleen omdat ik het werk van deze schrijvers zo bewonder. Van Multatuli, Van Eeden, Vestdijk. Of mijn grote held Hermans. Maar die twee bakstenen zijn nog ongelezen. In het normale leven ben ik ook niet geïnteresseerd in de privélevens van vreemden. Die gaan mij ook niets aan. Net zo min als een ander iets van mij hoeft te weten.

En de schrijvers ken ik wel. Door hun werk. En door wat ze over zichzelf tijdens hun leven wilden loslaten. Dat is meer dan voldoende.