Narcissus

Zijn nagels krassen
takken op het raam
leg een mus maar
uit wat glas is

hardleers vliegt hij aan
zoekt zijn houvast:
de plint waarop hij zit
het harde oppervlak

waarachter de mus
verrukt met zijn vleugels
klapt, als een kleine,
grijze Narcissus.

(inzending Turing Gedichtenwedstrijd 2017)

Herrie

Menig burger zoekt tegenwoordig zijn heil bij elektrische apparaten om zijn tuintje in het gareel te krijgen, waardoor in deze maanden een zeurende koorzang klinkt van invallende elektrische heggenscharen. De blaadjes die daarbij vallen kunnen niet meer worden opgeveegd, maar moeten zo nodig  met bladblazers op een hoop geblazen. Gemak dient de moderne mens, nietwaar? En we moeten per se de nieuwste snufjes hebben.

Het is een soort geluidsoverlast die, anders dan bijvoorbeeld de hele dag harde muziek draaien, kennelijk wordt getolereerd, net als trouwens het langdurig hobbyen aan huizen.

Ook de gemeente laat zich niet onbetuigd. Om de haverklap verschijnen de witte busjes van het groenonderhoud in de straat. Grasmaaiers tollen driftig om hun as om het gras zo kort mogelijk te houden. “Herrie” verder lezen

Landschapspijn

Als kind fietste ik vaak in de polder met mijn ouders. Ik herinner mij bloeiende bermen, ruisende populieren en een tumult van kieviten en grutto’s; veldleeuweriken die stil in de lucht hingen.

Tegenwoordig zie ik kale polders met plat gemaaide bermen. Er huppelen hooguit wat kauwtjes en er staat af en toe een eenzame reiger. Verder natuurlijk de hordes ganzen die op de velden zijn neergestreken. Hoewel een plaag voor de boer, op zich wel mooi. Maar een grutto of kievit zie ik zelden meer, laat staan een veldleeuwerik.

Het aantal weidevogels is drastisch afgenomen. Voor de afname van de biodiversiteit in onze polders, het verdwijnen van planten- en diersoorten, is een treffend woord verzonnen: landschapspijn. “Landschapspijn” verder lezen

De kleren van de keizer

De lente schonk gul haar kleuren
verfde koppen en vleugels bont
maar vergat de mus
die maar niet begrijpen kon
waarom alleen hij

in de grondverf was gebleven,
terwijl zijn kleurloosheid
hem juist tot eer moest
strekken: het pronken
immers dom en onbescheiden

maar telkens weer ongelovig
naar zichzelf kwam kijken
fladderend voor de ramen
of hij zich niet vergist had
of zijn veren toch niet blonken.

(inzending Turing Gedichtenwedstrijd 2017)

Diogenes zocht een mens

Diogenes zocht een mens
in Athene dat de wereld was
en de markt haar hart
vol woeker en gewin

in bruine pij duikt hij weer op
op zeventiende-eeuwse doeken
onopgemerkt door de menigte
herkenbaar voor het goede oog

ook nu blijft hij hem zoeken
op virtuele markten dolend
voor iedereen onzichtbaar
met het geduld van de filosoof

Diogenes zoekt de mens
omdat die hem nog niet zinde
oprechtheid is helaas nog steeds
met geen lantaarn te vinden.

Verdriet

Om zich met kleine vogels te troosten
kocht ze tien stuks bollen vet
verpakt in nostalgisch bruine zakken
van onbedrukt stevig papier

de takken bogen licht door
toen ze werden opgehangen
de bollen glommen van
te verzadigen honger

ze werden meteen door
grote kluwen kraaien besprongen
om zwart als de dood
haar verdriet uit te hakken.

(inzending Turing Gedichtenwedstrijd 2017)

Weerpraat

We worden overspoeld met weerpraat. Op de televisie is het volgens mij ooit met Erwin Kroll begonnen. Daarvoor werd er boven het hoofd van de nieuwslezer gewoon een weerkaartje geprojecteerd, waarop het enige stond wat je eigenlijk van het weer hoeft te weten: hoe warm wordt het, waait het, en vooral: blijft het droog? En dan alleen in Nederland.

Het weer is inmiddels een heel verhaal geworden. Het heeft een eigen taal, die soms ronduit avontuurlijke vormen aanneemt. Je zou er een zoveelste taalboekje over kunnen schrijven en misschien is dat er al, of in wording. En waarom ook niet.

Er wordt aandacht aan het weer besteed in de breedste zin van het woord: het weer in Europa, een komend front van de oceaan, tornado’s op het oostelijk halfrond, allerlei natuurkundige verklaringen: je wordt met zoveel informatie bestookt, dat het belangrijkste vaak niet blijft hangen, wat voorheen gewoon op zo’n weerkaartje stond. Moet ik een paraplu meenemen of niet?

Wat behalve al die extra informatie ook erg afleidt, is de taal. “Weerpraat” verder lezen

La dame au jabot huivert

Voor wie sta ik hier tentoon?
Hiervoor heb ik mij niet mooi
gemaakt met deze kanten kraag,
wit wolkend plooi voor plooi,
nog niet zo lang en vogue geraakt

Wie zijn die hordes kijkers
die schaamteloos met een klein
zwart kastje langs mijn plooien
strijken, ooit met aandachtige
streken vol bewondering gemaakt?

Ik krijg er gewoon de kriebels van
knap van ergernis uit mijn japon,
maar laat dit, dame die ik nog altijd ben,
natuurlijk niet voor hen blijken,
door steeds superieur weg te kijken.

 

Naar: ‘La dame au jabot’, Kees van Dongen, 1911

Na-apers

Er wordt weer heel wat af gefocust de laatste tijd, wat vooral komt door de Olympische Spelen. Sporters zijn nou eenmaal vaak niet de meest bedreven taalgebruikers en trainers en coaches (ook Engelse woorden trouwens) bedienen zich altijd graag van Engelse termen, omdat die hen professioneler doen overkomen. Het roept bij mij juist wantrouwen op omdat het eerder inhoud lijkt te verhullen.

Mensen verraden zich door hun taalgebruik. Woorden als focussen, framing of mindset, die niet van de lucht zijn, geven aan dat degenen die ze gebruiken ergens bij wil horen of niet eerst goed nadenken voordat ze iets zeggen. Het zijn na-apers.

Ik ben niet tegen leenwoorden, maar wel als er goede Nederlandse woorden voor bestaan. “Na-apers” verder lezen

Ontflauwekullen

‘Marokkaanse sociale mediagebruikers ontvolgen massaal de drie grootse Marokkaanse telecombedrijven op Facebook en Twitter’, las ik laatst. De week ervoor stond in mijn ochtendkrant de vraag: ‘Gaat u ook uw huis ontspullen?’

Het voorvoegsel ‘ont’ grijpt al een tijd om zich heen: zo moeten wij al enige tijd onthaasten en ontstressen, de PvdA is al heel lang aan het ontideoligiseren en de maatschappij lijdt aan een toenemende ontlezing.

‘Ont’ heeft van oudsher verschillende betekenissen: het geeft het begin van een handeling aan (ontbijten, ontbloten, ontbranden) of het geeft een verwijdering of tegenstelling aan (ontbossen, ontheiligen, ontgroeien). De nieuwe vormen horen allemaal tot de laatste categorie.

Die verwijdering kan wenselijk of onwenselijk zijn: we streven allemaal naar onthaasting, maar niemand is voor ontlezing. Soms is het een kwestie van opinie, zoals ontpoldering, waar ik als polderliefhebber een duidelijke mening over heb. Een ander voorbeeld is ontkerkelijking.

De woorden zeggen, zoals altijd, iets over de huidige tijd. Zonder sociale media hoef je helemaal niet te ontvrienden. “Ontflauwekullen” verder lezen